Overslaan en naar de inhoud gaan

Kamsalamander Triturus cristatus

Foto: Petra Fleurbaaij

Indeling

Salamandridae [familie]
Triturus [genus] (2/2)
cristatus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertDelft, J.J.C.W. van (RAVON)

Trend

Trend gehele periode: Matige toename
Trend laatste 10 jaar: Stabiel

Bron: RAVON, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

statusInheems (1a)
habitatland zoet
referentieRAVON 2004
expertJeroen van Delft (RAVON)
status sinds 1982Nog te bepalen
status rode lijstkwetsbaar / vulnerable

Areaal

Het verspreidingsgebied van de kamsalamander beslaat het grootste deel van Noord-Europa, inclusief Engeland, Schotland en Wales, Zuid-Scandinavië en Rusland tot voorbij de Oeral. Naar het zuiden toe wordt de soort vervangen door verwante soorten, zoals marmersalamander T. marmoratus in Midden-Frankrijk, Italiaanse kamsalamander T. carnifex ten zuiden van de Alpen, Donaukamsalamander T. dobrogicus in de Midden-Europese laaglanden van de Donau en Balkankamsalamander T. karelinii in Zuidoost-Europa en Azië. De kamsalamander is een laaglandsoort die met toenemende hoogte gewoonlijk minder algemeen voorkomt. De hoogte van waaraf de soort ontbreekt, neemt van noord naar zuid toe, van ongeveer 300 m in Scandinavië tot 1100 m in de Alpen en 1450 m in de Karpaten. (Arntzen 2003).

Verspreiding in Nederland

De kamsalamander komt van oorsprong voor in alle provincies, met uitzondering van Flevoland. De soort lijkt uit de provincie Groningen verdwenen te zijn. De kamsalamander bezet vooral de zandgronden en het rivierengebied, met name het Oost- en Zuid-Nederlands, fluviatiel en Kempens district. Belangrijke kerngebieden in Nederland behoren veelal tot de meest waardevolle cultuurlandschappen.

 Voor 1971

De hoofdlijnen van de verspreiding worden in deze periode al duidelijk. Opvallend zijn enkele vondsten uit de eerste helft van de twintigste eeuw die ver buiten de rest van het Nederlandse verspreidingsgebied liggen. Het betreft vondsten in het westen van Zuid-Holland uit Kijkduin (1915), Voorburg (1939), Wassenaar (1927) en Leiden (1916/1920). Voor de laatstgenoemde vindplaats is in het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis bewijsmateriaal aanwezig (rmnh 2326). Vanwege de excentrische ligging, het incidentele karakter van de waarnemingen en het vaak ook ontbreken van goede documentatie is de status van deze meldingen moeilijk in te schatten. Van de Veluwe zijn in deze periode incidentele vindplaatsen bekend.

 

1971-1995

In deze periode wordt een aantal kerngebieden zichtbaar. Belangrijke concentraties van vindplaatsen liggen in Zuidwest-Drenthe, Twente, de Achterhoek, het rivierengebied, Midden-Brabant, Zeeuws-Vlaanderen en Midden-Limburg. Uit Groningen wordt de soort niet meer gemeld. Binnen het rivierengebied zijn in het bijzonder de Rijntakken (Waal, Nederrijn en IJssel) van belang. Langs de Maas liggen verhoudingsgewijs weinig vindplaatsen.

Uit Zuid-Holland worden vanaf 1972 opnieuw vondsten gemeld, uit enkele kwelpoeltjes in Meijendel (Wanders 2002). Mogelijk hebben deze meldingen betrekking op restanten van de oude verspreiding uit het begin van de twintigste eeuw (Bergmans & Zuiderwijk 1986), hoewel ook niet valt uit te sluiten dat het gaat om een uitgezette populatie.

In de omgeving van Apeldoorn kunnen meldingen vanaf het begin van de jaren 70 betrekking hebben op de Italiaanse kamsalamander die in de regio is geïntroduceerd en sterk op de kamsalamander lijkt. Uit deze regio zijn echter ook vindplaatsen met alleen kamsalamanders bekend, evenals plekken waar de soorten samen voorkomen (Bogaerts et al. 2001, Vleut & Bosman 2005).

1996-2007

Het verspreidingsbeeld wordt in deze periode verder aangescherpt (Bogaerts et al. 2001, Brandjes & Langendorff 2004, Creemers 1999b, Van Delft et al. 2003a, Ottburg 2005a, Zollinger et al. 2003). In 2006 wordt de kamsalamander voor het eerst vastgesteld in Friesland (Stellingwerven, Zuidoost-Friesland) (Dolstra et al. 2007a, 2007b), maar waarschijnlijk is de soort daar al sinds de jaren 90 aanwezig.

Verspreid over het noorden, midden en zuiden van Nederland liggen belangrijke gebieden voor de kamsalamander. In Drenthe is vooral het westen van belang. Hier liggen de gebieden Berkenheuvel, Uffelte/Havelte en het gebied van Steenwijkerwold tot Boschoord. De Hondsrug kent een geringe bezetting. In Overijssel is in het bijzonder Twente dicht bezet. Het gaat daarbij om het gebied tussen Enschede, Oldenzaal, Ootmarsum, Denekamp en Losser (o.a. Tilligte, Hooge Boekel en het Ageler- en Voltherbroek) en ook om het gebied van Aamsveen, Zuid-Eschmarke en Witte Veen ten zuiden van Enschede. In Twente ligt een min of meer aaneengesloten reeks van ongeveer 60 bezette kilometerhokken. In Gelderland is de soort ruim verspreid in de Gelderse Poort, het buitengebied van de gemeente Winterswijk, de zuidwestelijke IJsselvallei (Bomendijk, Voorstonden, Empese- en Tondensche Heide en Leusveld) en de zuidoever van de Waal tussen Weurt en Wamel. Op de Veluwe komt de soort incidenteel voor, onder andere binnen het lokale verspreidingsgebied van de Italiaanse kamsalamander (Vleut & Bosman 2005). In Utrecht zijn vooral de landgoederen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug tussen Wijk bij Duurstede en Utrecht (Kromme Rijngebied) van belang en de noordelijke Heuvelrug en het Gooi (deels Noord-Holland). Het gebied De Brand en de Leemkuilen in Midden-Brabant geldt als de belangrijkste kern in Noord-Brabant. In Limburg zijn met name de Meinweg, Melickerheide en Maalbroek en omgeving dicht bezet. In Zuid-Limburg is de soort niet algemeen. In Zeeland liggen de meeste bezette kilometerhokken in het westen van Zeeuws-Vlaanderen.

Trend

Lange termijn

De kamsalamander staat op de Rode Lijst in de categorie ‘kwetsbaar’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met circa 33% afgenomen (Van Delft et al. 2007). De oorzaken zijn divers. Het verdwijnen van voortplantingsplaatsen lijkt de belangrijkste factor. Poelen zijn op grote schaal gedempt, verdwenen door verdroging of verland door achterstallig onderhoud. Ook stedelijke ontwikkeling en verlies aan kleinschaligheid leiden tot verlies aan leefgebied. Deze processen spelen zich niet alleen in Nederland af maar in het gehele Europese verspreidingsgebied (e.g., Kuzmin et al. 1996, Oldham & Swan 1991, Schoorl & Zuiderwijk 1981). Naar schatting verdwijnt elke tien jaar in Noordwest-Europa circa 20% van de poelen (Boothby 1997, Bülow-Olsen 1988).

Ook de introductie van vis in geschikte voortplantingswateren vormt een bedreiging (Dolmen 1982, Reshetnikov & Manteifel 1997, Stumpel & Van der Voet 1995). Daarnaast spelen mogelijk ook verzuring en vermesting van voortplantingswateren een rol (Bitz & Simon 1996, Grosse & Günther 1996, Kuzmin et al. 1996, Lenders 1989a).

De achteruitgang in agrarisch gebied is mogelijk versterkt door het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen (Berger 1989). Het ongeschikt raken van de landhabitat zal verder hebben geleid tot een verlies aan uitwisseling tussen de overblijvende populaties. Deze kunnen te geïsoleerd zijn om op lange termijn te kunnen overleven (Jehle et al. 2001, 2005a, 2005b, Joly et al. 2001, Van der Sluis & Bugter 2000, Smit 1996). Dit scenario wordt gesteund door populatiemodellen (Balletto & Giacoma 1993, Etienne et al. 2003, Griffiths & Williams 2000, Griffiths 2004, Halley et al. 1996).

Recente ontwikkeling

De trend van de kamsalamander binnen de periode van de amfibieënmonitoring (1997-2007) is een matige toename (goverse et al. 2008). De soort ondervindt op veel plaatsen problemen vanwege toegenomen isolatie van voortplantingsplaatsen en versnippering van de landhabitat. Ook het toenemende verkeer eist zijn tol. Onder andere uit het rivierengebied zijn locaties bekend met veel verkeersslachtoffers, zowel tijdens de voorjaars- als de najaarstrek. Zo vallen rond het natuurgebied de Groenlanden bij Nijmegen in het voorjaar slachtoffers onder de volwassen dieren en in het najaar onder de juvenielen, waarbij het op topavonden gaat om honderden exemplaren per avond (Willems 1999).

Op andere plaatsen lijkt de kamsalamander te profiteren van de aanleg van nieuwe poelen. Zo is bijvoorbeeld een groot aantal poelen aangelegd in Drenthe (Havelte e.o.), Twente (Oldenzaal), Utrecht (Soest) en Midden-Limburg. De kamsalamander heeft een groot aantal van de nieuw aangelegde poelen ook daadwerkelijk bezet (Van Buggenum 2000a, Van Delft et al. 2003b, Van der Sluis & Bugter 2000). Een andere positieve ontwikkeling is het aanwijzen van beschermde gebieden in het kader van Natura 2000. Voor de kamsalamander is in nagenoeg alle 45 Natura 2000-gebieden waar de soort voorkomt, het doel ten minste instandhouding, uitbreiding en veelal verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en toename van de populatie (Ministerie van LNV 2005, Zollinger et al. 2003, Zollinger & van Diepenbeek 2006).

Bron

Auteur(s)

Smit, G.F.J, Arntzen, J.W.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.