Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Vroedmeesterpad Alytes obstetricans

Foto: Cornelis van Eykelen

Indeling

Alytidae [familie]
Alytes [genus] (1/1)

Habitat

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 77 van de 2239 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (3%). Deze codes geven een karakterisering van de landhabitat: de vroedmeesterpad is een soort van voornamelijk ruderaal terrein (groeven), halfnatuurlijke graslanden en steden en dorpen. Van de 2239 waarnemingen zijn er 138 voorzien van een waterhabitatcodering (6%). In de bovengenoemde landschapstypen wordt de soort aangetroffen in poelen, kleine geïsoleerde wateren en in bronmilieus.

Vroedmeesterpadden planten zich voort in een breed scala aan beschikbare watertypen. Zo wordt voortplanting gemeld uit poelen en vijvers, maar ook uit koele, diepe bosvijvers en tijdelijke regenwaterplasjes (Daan 1963, Duijghuisen et al. 1976, Lenders 1992b).

Op het land wordt overwinterd in vorstvrije ruimten (Desfossés 1984). Dit kunnen holen en spleten in hellingbossen en graften zijn, bij voorkeur met een rotsachtige ondergrond (Crombaghs 1987, Lenders 2000a). In Zuid-Limburg wordt ook gebruik gemaakt van onderaardse kalksteengroeven. Zo overwinterden volwassen vroedmeesterpadden elke winter in een zaagspleet in een onderaardse kalksteengroeve (Vergoossen 1990). In december 2005 was dit nog steeds het geval (Willem Vergoossen pers. med.).

Studies waarin ook het terreingebruik van de vroedmeesterpad in detail wordt beschreven, zijn vooral gedaan in de Meertensgroeve te Vilt (Bergers & Foppen 1985, Crombaghs 1987, Crombaghs & Hoogerwerf 1993a). Na de overwintering, die waarschijnlijk plaatsvindt in de omringende hellingbossen, dalen de vroedmeesterpadden in de groeve af. Hier verzamelen ze zich op de lagere delen van de helling, rond de voortplantingswateren.

Al vanaf de eerste studies in de jaren 60 wordt de soort ook vrij veel bij huizen aangetroffen, tot zelfs midden in dorpskernen, op kerkhoven en op boerenerven (Daan 1963). Opmerkelijk is dat Daan in zijn onderzoek concludeert dat, alhoewel bekend met de buitenlandse voorbeelden, in Zuid-Limburg open mergel- en steengroeven van mindere betekenis zijn. Mogelijk komt dat doordat deze groeven nog volop in bedrijf waren. Wel vindt hij vroedmeesterpadden in de omgeving van zulke afgravingen, waarbij hij ’t Rooth en Putberg als voorbeelden noemt. De soort komt in kleinschalige landschappen voor en is warmteminnend. Veel schuilplaatsen in de vorm van holletjes, spleten en stenen, de aanwezigheid van bodemreliëf en de afwezigheid van strooisel zijn van groot belang en karakteristiek voor de habitat (Duijghuisen et al. 1976). Het grootste deel van de onderzochte vindplaatsen heeft een zuidelijk geëxponeerde helling (Bergers et al. 1985), maar dit is geen absolute voorwaarde (Crombaghs & Hoogerwerf 1993a).

Hoge dichtheden haalt de vroedmeesterpad nog steeds in de open dagbouwgroeven (’t Rooth, Curfsgroeve) en in mindere mate in kalkgraslanden als de Kunderberg en Bemelerberg. De bodemsoort krijt is niet allesbepalend voor de verspreiding, maar deze bodems zijn wel vaak slechts schaars begroeid en daarmee zeer geschikt. De hoogste concentraties van adulte vroedmeesterpadden zijn te vinden op steile hellingen met een zonnig karakter. Graften kunnen ook voldoen als habitat. De vroedmeesterpad is nog steeds in belangrijke mate een cultuurvolgende soort die voorkomt in groeven en dorpen.

Begeleidende soorten

De vroedmeesterpad is de enige soort die de geelbuikvuurpad als karakteristieke begeleider heeft. Beide komen in Limburg bij voorkeur voor in warme, stenige en dynamische habitats.

De bruine kikker is vrijwel altijd aanwezig op vindplaatsen van de vroedmeesterpad, op de voet gevolgd door andere algemene amfibieënsoorten en de in Zuid-Limburg algemene Alpenwatersalamander. De in Zuid-Limburg wijd verspreide levendbarende hagedis en hazelworm zijn de begeleidende reptielensoorten.

Daan (1963) vond tijdens zijn onderzoek de vroedmeesterpad in het gezelschap van Alpenwatersalamander, kleine watersalamander, geelbuikvuurpad en bruine kikker. Feldmann (1981) noemt voor het even ten oosten van Nederland gelegen Westfalen in afnemende volgorde: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en Alpenwatersalamander.

Bron

Auteur(s)

Broek, T.G.Y. van den, Frissen, D.P.E.M.

Publicatie