Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Vroedmeesterpad Alytes obstetricans

Foto: Cornelis van Eykelen

Indeling

Alytidae [familie]
Alytes [genus] (1/1)

Beschrijving

De vroedmeesterpad is een typische landbewoner, met een gedrongen lichaamsbouw, korte poten en droge, wrattige huid. De lengte van een volwassen vroedmeesterpad is 3-5 cm (Bergers & Foppen 1985, Crombaghs & Hoogerwerf 1993a). Het gewicht is 7-9 g. De vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter en zwaarder dan de mannetjes (Günther & Scheidt 1996).

De rug van de vroedmeesterpad is bedekt met kleine wratjes. De kop is enigszins spits. De ogen liggen boven op de kop en staan ver uit elkaar; ze hebben een goudbruine iris met een verticale, ovale tot spleetvormige pupil. Direct achter het oog is het trommelvlies meestal duidelijk zichtbaar. Van achter het oog vormt een rij grotere wratjes een lijst over de zijkant van de rug tot aan de achterpoten. Deze rij oranjerode wratjes steekt qua kleur af tegen de overwegend grijze bovenkant. De bovenkant kan in kleur variëren tussen grijsbruin en grijsgroen met kleinere, donkere vlekken. De buikzijde is veel lichter van kleur en is egaal lichtgrijs tot lichtroze. De korte achterpoten hebben nauwelijks zwemvliezen. De voorpoten hebben op de zool een drietal knobbeltjes, bij uitzondering twee (Günther & Scheidt 1996, Lenders 1992b).

Op basis van uiterlijke kenmerken is het geslachtsonderscheid nagenoeg onmogelijk. Vrouwtjes zijn vaak enigszins groter en zwaarder gebouwd dan mannetjes. In de voortplantingsperiode kan bij de vrouwtjes een opgezwollen buik opvallen. De rijpe eieren zijn dan soms door de buikwand heen zichtbaar. De mannetjes hebben geen paarborstels of kwaakblazen. Over het algemeen hebben de mannetjes iets sterker ontwikkelde voorpoten. Het beste kenmerk blijft echter de karakteristieke broedzorg. Dieren met eisnoeren om de achterpoten zijn altijd mannetjes.

Het mannetje wikkelt het eisnoer direct na de paring en de eiafzet om zijn achterpoten. Het eisnoer droogt dan in waardoor het een elastische streng wordt. De eieren worden beschermd door een hard kapsel. De kleur van de eieren is in eerste instantie witachtig of lichtgeel, later verkleurt dit tot heldergeel of bruin. In het eindstadium zijn de larven in de eieren zichtbaar. Bij het afzetten hebben de eieren een grootte van circa 3 mm, vlak voordat het mannetje de larven in het water afzet zijn de eieren tot circa 5 mm gegroeid. In de meegedragen eieren ontwikkelen zich, afhankelijk van de temperatuur, in 15-40 dagen volgroeide larven.

De larven kunnen vrij groot worden, tot 8-9 cm. Deze lengte bereiken de larven echter alleen indien ze overwinterd hebben. Anders bereiken ze vlak voor het aan land gaan een maximale lengte van 5-7 cm (Günther & Scheidt 1996). De larven zijn lichtbruin met verdeeld over het lichaam en de staart donkerbruine punten of vlekjes. De uitstroomopening bevindt zich aan de buikzijde en is iets voor het midden gelegen (Günther & Scheidt 1996, Lenders 1992b).

Vroedmeesterpadden maken een zeer karakteristiek geluid. Dit is het best te omschrijven als een korte, heldere, klingelende fluittoon. De roepjes worden gedurende een tiental minuten voortgebracht. Hierbij roepen de padden 10-40 keer per minuut. Het aantal roepen per minuut neemt toe met de temperatuur. Ook vrouwtjes kunnen dit geluid voortbrengen. Het geluid is te vergelijken met zacht klinkende klokjes, wat ook tot uitdrukking komt in de dialectnaam ‘klungelkes’ of ‘klingelkes’.

Herkenning

De vroedmeesterpad is op de eerste plaats van andere amfibieën te onderscheiden door zijn verticale, ovale tot spleetvormige pupil. Van de inheemse padden heeft alleen de knoflookpad een vergelijkbare verticale pupil. De kleur en bouw van beide soorten zijn echter onmiskenbaar verschillend. Verder vallen bij de vroedmeesterpad het duidelijke trommelvlies en de afwezigheid van een duidelijke graafknobbel aan de achtervoet op.

Larven van de vroedmeesterpad zijn te onderscheiden van alle andere amfibielarven (met uitzondering van die van de geelbuikvuurpad) doordat de ademopening op de buikzijde is gelegen. De ademopening van de vroedmeesterpad is meer naar de mond gelegen terwijl deze bij de geelbuikvuurpad achter de helft van de kop-romplengte ligt. Verwarring met de larve van de geelbuikvuurpad wordt verder uitgesloten doordat de brede staartzoom bij de vroedmeesterpad is bezet met donkere punten, en bij de geelbuikvuurpad met een netwerk van zwarte lijntjes. De lengte van de staart is meestal anderhalf maal de lichaamslengte, waardoor larven van de vroedmeesterpad een langgerekt uiterlijk hebben, terwijl larven van de geelbuikvuurpad veel gedrongener zijn. In tegenstelling tot de larven van de geelbuikvuurpad is de buikzijde bij larven van de vroedmeesterpad niet doorzichtig en maakt geen geleiachtige indruk (Van der Meyden 1975). Een ander duidelijk kenmerk is dat er bij de larve van de geelbuikvuurpad van bovenaf in het lijf inwendig een insnoering te zien is die bij de larve van de vroedmeesterpad ontbreekt. Soms is verwarring met grote larven van de bruine kikker mogelijk, maar deze worden in de regel eerder in het seizoen gevonden.

Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (2006).

De hoge, klingelende en fluitende roep van de vroedmeesterpad is niet met de roep van een andere inheemse amfibieënsoort te verwarren. Verwarring met de territoriumroep van de dwergooruil komt voor. Deze vogel is in Nederland echter een dwaalgast.

Bron

Auteur(s)

Frissen, D.P.E.M. , Broek, T.G.Y. van den

Publicatie