Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Vroedmeesterpad Alytes obstetricans

Foto: Cornelis van Eykelen

Indeling

Alytidae [familie]
Alytes [genus] (1/1)

Jaarritmiek

Eind maart of begin april worden doorgaans de eerste vroedmeesterpadden gehoord. De ondergrens voor het eerste roepen ligt volgens Heinzmann (1970) bij een temperatuur van 6-7°C. De roepactiviteit bereikt een hoogtepunt in de maanden mei en juni. Tot in augustus roepen de padden nog actief, incidenteel wordt later in het jaar nog eens geroepen. Gedurende het voortplantingsseizoen kan een viertal roepperioden worden onderscheiden (Bergers & Foppen 1985, Crombaghs & Hoogerwerf 1993a, Heinzmann 1970). Crombaghs & Hoogerwerf (1993a) vonden pieken in het aantal roepende mannetjes rond de derde week van mei, in de laatste week van juni en de laatste week van juli. Hierbij valt op te merken dat zij de roeppiek halverwege april misten, doordat hun onderzoek later in het seizoen startte. De soort roept voornamelijk ’s avonds en ’s nachts. Op warme dagen wordt ook overdag geroepen. Kort na zonsondergang zijn ze het actiefst. Ook de vrouwtjes kunnen deze roep voortbrengen. Samenhangend met het roepen vinden de paringen plaats. De eerste eidragende mannetjes worden vanaf april gevonden. Met het afnemen van de roepactiviteit worden de laatste eidragende mannetjes tot in augustus gevonden. De voortplantingsperiode is, in vergelijking met andere amfibieënsoorten, lang. Vrouwtjes zetten meerdere malen per jaar eieren af. Gedurende het seizoen kan een vrouwtje twee tot vier legsels produceren (De Wavrin 1978, Desfossés 1984, Günther & Scheidt 1996).

Doordat larven tot laat in het seizoen worden afgezet, kunnen ze over een lange periode worden gevonden. Larven die in augustus worden afgezet overwinteren en voltooien de metamorfose pas in het volgende voorjaar in eind april of begin mei. Hierdoor kunnen larven van de vroedmeesterpad het gehele jaar worden waargenomen.

De geconstateerde spreiding in waarnemingsdata van larven geldt ten dele ook voor de juvenielen. Hoewel het merendeel van de juvenielen in augustus en september het land opkruipt, zijn waarnemingen uit april niet uitzonderlijk. Dat betreft dan dieren die als larven overwinterd hebben. Tegelijkertijd met de eerste voortplantingsronde in april kunnen de larven uit het voorgaande najaar alsnog de metamorfose voltooien (Lenders 1992b). Juvenielen blijven tot in oktober actief, hierna zoeken ze overwinteringsplaatsen op. Adulte dieren verdwijnen na de voortplanting uit beeld, tot eind september zijn ze incidenteel te vinden. De dieren overwinteren op het land.

Opmerkelijk is dat de Maastrichtse stadspopulaties gemiddeld twee tot drie weken eerder in het jaar actief zijn dan die in meer open, onbebouwde gebieden. Vermoedelijk is dat op het gunstige microklimaat in de stad terug te voeren (Bergers et al. 1985, Lenders 1992b). Een dergelijk verschijnsel treedt ook op in dagbouwgroeven. In het vroege voorjaar kunnen op de op het zuiden geëxponeerde kale en schaars begroeide hellingen de temperaturen snel stijgen. Hierdoor worden er soms al eind februari en begin maart roepende mannetjes gehoord.

Legselgrootte, groei en leeftijd

De legselgrootte varieert tussen de 20 en 100 eieren. Het mannetje draagt de eieren 15-40 dagen met zich mee, afhankelijk van de temperatuur. Het geringe aantal eieren wordt gecompenseerd door de, in vergelijking met andere amfibieënsoorten, hoge uitkomstpercentages van 83-90% (Buchholz 1989).

De ontwikkelingstijd van de larven is afhankelijk van de temperatuur. Op het moment van afzetten in het water zijn de larven al 14-18 mm groot. Larven kunnen vrij groot worden, 5-7 cm is geen uitzondering. Indien larven overwinteren kunnen ze zelfs tot 9 cm doorgroeien. Van de in mei en juni in het water afgezette larven ronden de eerste in juli en augustus de metamorfose af. Günther & Scheidt (1996) vermelden een minimale ontwikkelingsduur van 9-12 weken. Larven die in augustus worden afgezet, overwinteren en vervolmaken de metamorfose in het volgende voorjaar. Hun ontwikkelingsduur is minimaal acht maanden.

In hun derde levensjaar (na twee overwinteringen) zijn de dieren geslachtsrijp. Vroedmeesterpadden kunnen waarschijnlijk ten minste acht jaar oud worden (Günther 1996).

Voedsel

Vroedmeesterpadden eten (nacht)vlinders, regenwormen, slakken, mieren, wantsen en (loop)kevers. Verder werden duizendpoten, sprinkhanen en vliesvleugeligen gevonden in buitenlands onderzoek (Desfossés 1984, Meisterhans 1969). Larven voeden zich waarschijnlijk met zowel dierlijk als plantaardig materiaal.

Predatoren

Door hun nachtelijke levenswijze ontlopen adulte vroedmeesterpadden predatoren als reigers en eenden. Wel worden ze hierdoor vaker door uilen gevangen (Günther & Scheidt 1996).

De eerste kwetsbare stadia van de larvale periode worden beschermd door de bijzondere broedzorg van het mannetje. Niet alleen is, op het moment dat ze in het water uitkomen, de lichaamslengte van de larven groter dan die van andere amfibieënlarven, ook zijn er dan minder volwassen watersalamanders in het water aanwezig. Larven hebben, naast deze salamanders, als voornaamste vijanden vissen, libellenlarven en waterkevers.

Daan (1964) en Desfossés (1984) menen dat larven en adulten beschermd worden door sterke huidgiffen. In meer recente literatuur wordt echter vermeld dat juist door het ontbreken van sterke huidgiffen de larven van de vroedmeesterpad worden gegeten door salamanders en kleine vissen die in poelen voorkomen. Deze predatoren kunnen dat in het algemeen echter alleen de eerste twee weken, omdat de larven daarna te groot zijn (Buchholz 1989).

Gedrag

De paring en de broedzorg van de vroedmeesterpad zijn uitgebreid onderzocht (Desfossés 1984, Günther & Scheidt 1996, Heinzmann 1970, Marquet & Salverda 1964).

Mannetjes roepen gedurende het voortplantingsseizoen op het land vanaf hun vaste roepplaats. Dat kan een holletje in de grond zijn, maar ook een hol onder een steen of in een stapelmuur. Overdag verschuilen de padden zich in holletjes en spleten, onder stenen en ander bodemmateriaal. Kort voor de schemering verplaatsen de padden zich meer naar de oppervlakte om te beginnen met hun roepactiviteit. Pas na het invallen van de duisternis verlaten de padden hun schuilplaatsen. Hierna gaan ze op zoek naar voedsel of een partner, zonder zich ver van hun schuilplaats te begeven. Voor zonsopgang zijn ze weer terug in hun schuilplaats. Vaak kunnen meerdere individuen onder een zelfde steen worden gevonden. Het verdedigen van echte roepterritoria komt, gelet op het voorgaande, bij deze soort niet voor (Heinzmann 1970, Günther & Scheidt 1996).

Een paringsbereid vrouwtje dat een roepend mannetje op minder dan vier meter genaderd is, beantwoordt zijn paarroep met een vergelijkbare roep. Het mannetje antwoordt vervolgens met een versnelde paarroep. Nadat de dieren elkaar met de koppen hebben geraakt, kruipt het vrouwtje onder het mannetje die haar vervolgens met de voorpoten in de lendenen omklemt (lumbaire amplexus). Gedurende 30-90 minuten masseert het mannetje de cloacaregio met zijn poten en maakt hij regelmatig met zijn achterlichaam op- en neergaande bewegingen. Aan deze handelingen dankt de soort zijn naam, niet aan het meedragen van de eieren (Günther & Scheidt 1996, Lescure & Le Garff 2006). Zodra het vrouwtje begint met het afzetten van de eieren schuift het mannetje meteen naar voren om met zijn voorpoten het vrouwtje tussen haar voorpoten en kop vast te pakken. De eieren worden in een kommetje opgevangen dat door de achterpoten van het mannetje en het vrouwtje gevormd is. Het mannetje bevrucht vervolgens de eieren. Na maximaal 20 minuten wikkelt het mannetje het eisnoer om zijn achterpoten door zijwaarts trappelende bewegingen te maken. De paring is afgelopen en het mannetje gaat terug naar zijn schuilplaats. Doordat het eisnoer droger wordt, krimpt het en komt het strakker om de poten te zitten.

De komende drie tot vijf dagen probeert het mannetje een tweede eisnoer te krijgen. Dit dient binnen een dergelijke korte termijn te gebeuren, aangezien de larven gedurende maximaal vijf dagen afgezet kunnen worden. Indien de larven in het tweede legsel bij het afzetten van het eerste legsel in het water nog niet ver genoeg ontwikkeld zijn om het ei te verlaten, zal dit tweede legsel verloren gaan.

Verplaatsingen

Vroedmeesterpadden zijn gedurende het jaar plaatstrouw. Bij een Duitse populatiestudie bleek dat 70% van de dieren zeer plaatstrouw was (Schmiedehausen 1990). Ze verbleven steeds in hetzelfde holletje. De overige 30% wisselde soms van holletje. In de Meertensgroeve bleken 13 van de 28 teruggevangen dieren zich in het terrein te hebben verplaatst, over afstanden van enkele tientallen tot maximaal 100 m (Bergers & Foppen 1985).

Duijghuisen et al. (1976) geven aan dat de afstand van door hen gevonden adulten tot de dichtstbijzijnde poel 0-360 m bedroeg. Duits onderzoek vermeldt dat de afstand tussen zomerhabitat en voortplantingswater normaal gesproken minder dan 100 m bedraagt (Blab 1986, Feldmann 1981). Individuele exemplaren werden echter nog tot op 2 km afstand van bekende vindplaatsen gevonden (Mai 1989). De vroedmeesterpad kan nieuwe voortplantingsplekken koloniseren indien deze binnen 500 m afstand van een bezette locatie liggen (Laan & Verboom 1990a).

Bron

Auteur(s)

Frissen, D.P.E.M. , Broek, T.G.Y. van den

Publicatie