Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Geelbuikvuurpad Bombina variegata

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Bombina [genus] (2/1)
variegata [soort]

Habitat

De geelbuikvuurpad is een warmteminnende pioniersoort.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 20 van de 1752 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (1%). De geelbuikvuurpad is vooral waargenomen in ruderaal terrein (groeven) en ook in halfnatuurlijke graslanden. Van de 1752 waarnemingen zijn er 26 voorzien van een waterhabitatcodering (1%). De soort is waargenomen in poelen en andere kleine geïsoleerde wateren.

De geelbuikvuurpad maakt gebruik van twee typen wateren, waaraan verschillende eisen worden gesteld: instabiele wateren voor de voortplanting en vaak sterker begroeide wateren om buiten de voortplanting in te verblijven. Voor de voortplanting worden poeltjes en laagtes gebruikt die in een pionierstadium verkeren en zonnig zijn gelegen. Voorbeelden zijn net gegraven wateren, karrensporen, regenplassen en drinkbakken voor het vee. Ook de pootafdruk van een koe in de modder kan al als eiafzetplek dienst doen. Wateren in pionierfase zijn doorgaans armer aan potentiële predatoren en concurrerende amfibieënsoorten. Niekisch (1996) onderzocht 103 voortplantingswateren in het aan Nederland grenzende Nordrhein-Westfalen. Deze zijn zonnig gelegen, (vrijwel) volledig vegetatieloos, minder dan 40 cm diep en hebben doorgaans een geringe oppervlakte. Van de 103 onderzochte wateren was 70% kleiner dan 7 m2, maar voortplanting in veel grotere wateren, tot wel 1200 m2 komt voor. Grote, dichtbegroeide en stromende wateren worden slechts bij uitzondering gebruikt. Ook wateren die ondieper zijn dan 6 cm en kleiner dan 0,3 m2 worden nauwelijks gebruikt om eieren in te leggen. Het voortplantingswater is vaak troebel door zwevende löss- of leemdeeltjes, maar kan ook helder zijn. De dieren hebben wel een voorkeur voor wateren met een met modder bedekte bodem waarin ze kunnen schuilen. De hellingshoek van de oever bleek niet van invloed. Zelfs een water met een loodrechte oever werd direct als voortplantingswater geaccepteerd.

Daarnaast kunnen geelbuikvuurpadden worden aangetroffen in sterker begroeide en soms ook diepere poelen, waarin echter geen voortplanting plaatsvindt. Deze worden verblijfswateren genoemd. Hieraan worden minder eisen gesteld. Het kunnen bijvoorbeeld dichtbegroeide weilandpoelen zijn, voormalige voortplantingswateren in een vergevorderd successiestadium, meer beschaduwde wateren en ook regenplassen.

De geelbuikvuurpad wordt vooral in de waterhabitat waargenomen, maar brengt een aanzienlijk deel van het jaar op het land door. De aanwezigheid van geschikte landhabitat en overwinteringsplaatsen is dan ook cruciaal, zeker ook voor de subadulte dieren (Niekisch 1996).

De geelbuikvuurpad is gedurende de actieve periode voornamelijk in en om het water te vinden en over zijn landhabitat is relatief weinig bekend. Binnen het leefgebied van geelbuikvuurpadden komt meestal bos voor. In de zomerhabitats is vrijwel altijd een fijnmazig patroon aanwezig van vochtige en droge terreindelen. In West-Europa omvatten ze een breed scala van terreintypen, zoals zand-, klei-, grind-, bruinkoolgroeven en diverse soorten steengroeven, vochtige en droge schrale graslanden, bossen, (moes)tuinen, jeneverbesstruwelen, ruigten en braakliggend terrein en zelfs hoog- en laagveen (Niekisch 1996). In Nederland bestaat de landhabitat voornamelijk uit nog kale groevebodems, graslanden, ruigtevegetaties en bos.

’s Zomers verblijft de geelbuikvuurpad ongeveer 30% van de tijd in het water, maar met name in vochtigere perioden wordt ook gekozen voor de landhabitat (Möller 1993). Wanneer ze niet actief zijn in hun zomerhabitat schuilen ze in muizengangen, tussen boomwortels, onder stammen, stenen, afval, in steenhopen of krimpscheuren in de bodem. In groeve ’t Rooth zijn meerdere keren dieren onder mergelbrokken en vuursteenbrokken gevonden. De schuilplaatsen moeten vochtig zijn. Vanwege hun afgeplatte lichaam en geringe formaat volstaan kleine en nauwe schuilplaatsen om in weg te kruipen (Möller 1993, Niekisch 1996, eigen waarnemingen). Vaak liggen deze schuilplaatsen in de onmiddellijke nabijheid van wateren, zoals steenhopen nabij basishabitats. Geelbuikvuurpadden zijn niet in staat om zelf gangen te graven. De aanwezigheid van voldoende schuilplaatsen is dan ook van groot belang, zeker voor de overwintering, die vorstvrij plaats moet kunnen vinden. De overwintering vindt waarschijnlijk vooral in bossen plaats. De winterhabitat wordt in dat geval gekenmerkt door een veel hogere stabiliteit dan de vaak extreem dynamische voortplantings- en zomerhabitat (Niekisch 1996). Het ligt voor de hand dat in mergelgroeven de grote vuursteenhopen voldoende overwinteringsplaatsen bieden. Speciaal voor de geelbuikvuurpad aangelegde vuursteenhopen in Zuid-Limburg blijken inderdaad zeer goed als zodanig te worden gebruikt. Uit geheel afgezette steenhopen in drie leefgebieden werden na de overwintering maar liefst 130 geelbuikvuurpadden gevangen (Baar 2008). Uit een Duits onderzoek is een situatie bekend waarbij geelbuikvuurpadden, vroedmeesterpadden, Alpenwatersalamanders, kamsalamanders en kleine watersalamanders op 60-70 cm diepte samen in een puinhelling zaten (Möller 1993).

Begeleidende soorten

De geelbuikvuurpad is de enige soort met de vroedmeesterpad als karakteristieke begeleider. Zij delen 10 kilometerhokken met elkaar, vooral in groeve ’t Rooth. Beide komen bij voorkeur voor in warme, stenige en dynamische habitats.

In alle kilometerhokken met geelbuikvuurpadden zijn bruine kikker en kleine watersalamander aanwezig. Ook de Alpenwatersalamander is opvallend vaak aangetroffen. Levendbarende hagedis en hazelworm zijn de begeleidende reptielensoorten. De begeleiders Alpenwatersalamander, vroedmeesterpad, hazelworm en levendbarende hagedis zijn vrij typische soorten van het Limburgse heuvelland.

 

Bron

Auteur(s)

Laan, R.M., Delft, J.J.C.W. van, Bosman, W.

Publicatie