Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Geelbuikvuurpad Bombina variegata

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Bombina [genus] (2/1)
variegata [soort]

Beschrijving

Het lichaam van de geelbuikvuurpad is afgeplat. De lengte van de volwassen dieren is 3-5 cm. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes. Geelbuikvuurpadden worden maximaal circa 12 g, maar de meeste dieren wegen tussen de 3,5 en 6,5 g (Bosman & Crombaghs 2004a, 2004b, Niekisch 1996, Nöllert & Günther 1996b en ongepubliceerde data W. Bosman).

De keel, buik en onderzijde van de ledematen zijn geel met een onregelmatig patroon van zwarte vlekken. De gele kleur loopt door op de achterzijde van de dijen en de toppen van enkele vingers en tenen. Het buikpatroon is een individueel kenmerk dat na het eerste levensjaar niet of nauwelijks meer verandert (Verboom & Laan 1988). De bovenzijde van het lichaam is donkerbruin gekleurd en bezaaid met kleine wratten. Veel wratten eindigen in een zwarte punt, met daaromheen kleinere zwarte wratten. Soms zijn er lichtbruine vlekken aanwezig. De boven op de kop staande ogen hebben een driehoekige of hartvormige pupil. Er is geen uitwendig trommelvlies zichtbaar.

De mannetjes zijn herkenbaar aan de gespierde bovenarmen en de bruinzwarte paarborstels. Deze bevinden zich op de binnenzijde van de onderarm, op de onderzijde van de eerste vingers en kunnen ook op enkele tenen aanwezig zijn (Gollmann & Gollmann 2002). De eieren worden afzonderlijk of in kleine klompjes afgezet op dode takjes, stenen of planten. De doorsnede van een ei is 1,5-2 millimeter en van het omhulsel 5-8 mm. De kleur is bruin. De larven bereiken een lengte van ongeveer vijf centimeter. De staartzoom bevat vaak diffuse donkere vlekken met een netwerk van fijne donkere lijnen. De uitstroomopening ligt op de buikzijde, centraal achter het midden. Na de metamorfose hebben de jongen een lengte van 12-16 mm. De gele kleur is fletser dan bij de volwassen dieren. Ook de contouren van de zwarte vlekken zijn nog vaag.

In de voortplantingstijd maken de mannetjes een zacht geluid dat klinkt als ‘oeh … oeh … oeh’.

Herkenning

De geelbuikvuurpad is vrij gemakkelijk van andere padden te onderscheiden door de geel gekleurde onderzijde met zwarte vlekken. Door de geringe grootte kan verwarring optreden met subadulten van de gewone pad en met volwassen vroedmeesterpadden. De geelbuikvuurpad heeft echter een driehoekige of hartvormige pupil terwijl de gewone pad een horizontale en de vroedmeesterpad een verticale pupil hebben. Bij de geelbuikvuurpad is ook geen trommelvlies zichtbaar, zoals bij beide andere soorten.

De larven van de geelbuikvuurpad en de vroedmeesterpad zijn van andere larven te onderscheiden door een niet doorbroken rand van papillen om het mondveld en de dubbele rijen liptanden. De derde tandrij (van onderaf) is bij de geelbuikvuurpad zelden onderbroken, terwijl die bij de vroedmeesterpad altijd onderbroken is. De larven van beide soorten hebben, in tegenstelling tot de overige amfibieënsoorten, een uitstroomopening die op de buikzijde ligt. Bij de larve van de geelbuikvuurpad ligt deze uitstroomopening achter het midden, bij de larve van de vroedmeesterpad voor het midden van het lichaam. Verwarring met de larve van de vroedmeesterpad wordt verder uitgesloten, doordat de brede staartzoom bij geelbuikvuurpadlarven is bezet met een netwerk van zwarte lijntjes en bij de vroedmeesterpad met donkere punten. De lengte van de staart is bij geelbuikvuurpadden duidelijk minder dan anderhalf maal de lichaamslengte. Daardoor hebben de larven een gedrongen uiterlijk. Larven van de vroedmeesterpad hebben een langgerekt uiterlijk doordat hun staartlengte anderhalf keer de lichaamslengte bedraagt. Een ander opvallend kenmerk van larven van de geelbuikvuurpad, dat bij vroedmeesterpadlarven ontbreekt, is de doorzichtige buikzijde, die een geleiachtige indruk wekt (Van der Meyden 1975). Bij de wat grotere larven van de geelbuikvuurpad is van bovenaf duidelijk een achtvormige (inwendige) insnoering te zien, die bij de larve van de vroedmeesterpad ontbreekt.

De afzonderlijke of in kleine klompjes afgezette eieren zijn uniek en niet te verwarren met die van andere soorten. Wanneer individuele eieren op blaadjes zijn afgezet, worden nooit, zoals bij salamanders, de blaadjes om het eitje gevouwen. De ongeveer even grote eieren van de kamsalamander zijn bovendien gelig of wit van kleur en omgeven door een dun laagje gelei terwijl die van de geelbuikvuurpad bruin zijn en omgeven door een dikke laag gelei. Andere watersalamanders hebben kleinere eieren (Nöllert & Nöllert 1992).

Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (2006).

Bron

Auteur(s)

Laan, R.M., Delft, J.J.C.W. van, Bosman, W.

Publicatie