Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Geelbuikvuurpad Bombina variegata

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Bombina [genus] (2/1)
variegata [soort]

Jaarritmiek

De geelbuikvuurpad overwintert op het land. De eerste dieren worden doorgaans in april waargenomen, maar er zijn enkele waarnemingen uit maart. De geelbuikvuurpad is daarmee een van de soorten die later actief wordt. De meeste waarnemingen zijn gedaan tussen half mei en eind augustus. Algemeen wordt aangenomen dat de soort op de Nederlandse vindplaatsen geen grote afstanden tussen overwinteringslocatie en voortplantingswater hoeft af te leggen en dat er dus nauwelijks sprake is van voortplantingstrek. Opvallende verplaatsingen treden vooral op tijdens het voortplantingsseizoen, wanneer na hevige neerslag gevolgd door hoge temperaturen de dieren zich in korte tijd verzamelen in de wateren om eieren af te zetten.

Het roepen van de mannetjes begint in april en gaat door tot in augustus. Wanneer het regent of hard waait roepen de dieren niet. Geelbuikvuurpadden roepen vooral overdag, maar op warme dagen in de zomer kan het roepen tot in de avond doorgaan.

De geelbuikvuurpad heeft een gespreide voortplantingsperiode. De duur van de voortplanting, het aantal voortplantingsperioden en de duur van de tussenliggende perioden is afhankelijk van de weersomstandigheden. Aan een eiafzetperiode gaat veelal een flinke regenbui vooraf (Barandun 1995, Kapfberger 1984, Seidel 1996). Volgens Seidel (1996) is een relatief hoge waterstand in de watertjes ten gevolge van een regenbui een belangrijke factor die de dieren aanzet tot het afzetten van eieren. De dieren lijken in staat om ‘hoog water’ als ideaal tijdstip te herkennen voor de afzet van eieren (Wiggings et al. 1980). Eieren zijn gevonden tussen de eerste helft van april en de eerste helft van september, de meeste tussen half mei en half juli.

Larven worden al vrijwel direct na de eerste eiafzet waargenomen, van de tweede helft van april tot en met de tweede helft van oktober. Overwinterende larven zijn uit Nederland niet bekend. De eerste juvenielen zijn in juni langs de oevers te vinden, de laatste worden in oktober gevonden. De meeste waarnemingen van juvenielen komen uit juli, augustus en september.

Afhankelijk van het weer verlaten de dieren in de tweede helft van september de zomerhabitat op zoek naar een overwinteringsplaats (Bosman & Crombaghs 2000). Tot in oktober kunnen ze nog op het land worden aangetroffen (Niekisch 1996).

Legselgrootte, groei en leeftijd

Het aantal eieren dat wordt afgezet is afhankelijk van de leeftijd en de conditie van een vrouwtje, maar kan oplopen tot ongeveer 130. De eiklompjes bestaan meestal uit 10-20 eieren en worden afgezet aan takjes, stengels van planten of gewoon op de bodem (Gollmann & Gollmann 2002, Lenders & Van den Broek 1992, Niekisch 1996, Seidel 1996).

De ontwikkeling van de eieren is afhankelijk van de watertemperatuur. In mei komen de eieren na ongeveer acht dagen uit, terwijl dit in juni en juli al na vijf tot zeven dagen kan plaatsvinden (Barandun 1995). In groeve ‘t Rooth is een volledige metamorfose binnen vijf en een halve week bekend, meestal duurt dit echter langer (Bosman & Crombaghs 2000). Larven die de metamorfose niet tijdig afronden sterven bij de eerste nachtvorst (Niekisch 1996).

Jonge dieren kunnen al in hun tweede zomer geslachtsrijp worden. In groeve ’t Rooth had een eenjarig dier van 28 mm paarborstels en was daarmee als mannetje herkenbaar. De meeste dieren doen op tweejarige leeftijd (in hun derde zomer) voor het eerst mee aan de voortplanting.

Geelbuikvuurpadden kunnen oud worden. Een mannetje in groeve ’t Rooth werd in 1990 op vijf jaar geschat. Toen het in 1997 weer werd gevonden, was het mogelijk dus al 12 jaar oud (Bosman et al. 1999). In een Oostenrijkse studie aan 1143 geelbuikvuurpadden werd de leeftijd van 57 dieren bepaald op 21 jaar, van drie dieren op minstens 25 jaar en van twee dieren op minstens 26 jaar (Seidel 2007).

Voedsel

Volwassen geelbuikvuurpadden eten mieren, waterkevers, bladluizen, zweefvliegen, mijten, muggenlarven, waterslakken, tubifex, spinnen, kevers, rupsen, cicaden, duizendpoten en vlokreeftjes (Gollmann & Gollmann 2002, Nöllert & Günther 1996). Ze verzamelen hun voedsel aan het wateroppervlak en op het land. Omdat hun tong niet geschikt is voor het vangen van prooien, wordt een prooi met de bek gepakt en daarna doorgeslikt. Voor het naar binnen werken van grote prooien worden de voorpoten gebruikt. De larven voeden zich direct na het uitkomen met hun eidooier en daarna vooral met diatomeeën en verschillende algen.

Predatoren

Over predatie van adulte dieren zijn geen waarnemingen bekend. De habitat waar de geelbuikvuurpad doorgaans eieren afzet is in de regel arm aan predatoren. Predatie van eieren en larven vindt dan ook meestal plaats in wateren die in een verder successiestadium zijn. Hier zijn bootsmannetjes, waterkevers (larven en adulten), libellenlarven, stekelbaarzen en salamanders belangrijke predatoren (Kapfberger 1982, Niekisch 1996). Kapfberger (1982) zag hoe een groene kikker een juveniele geelbuikvuurpad naar binnen werkte. Er zijn ook waarnemingen van merels, eksters en gaaien die rond watertjes met larven en juvenielen scharrelen.

Gedrag

Mannetjes roepen in de voortplantingswateren. Of hierdoor vrouwtjes gelokt worden is niet bewezen (Gollmann & Gollmann 2002). Ook zonder roepactiviteit kan succesvolle voortplanting plaatsvinden. Andere mannetjes worden door het roepen ook aangezet tot roepactiviteit. De mannetjes houden er tijdens de voortplanting territoria met een doorsnede van 0,5-2 m op na. De mannetjes nemen de aanwezigheid en positie van de territoria van hun concurrenten waar door middel van watergolfjes die worden gemaakt met zwembewegingen of door trillingen veroorzaakt door het roepen. Bij de paring wordt het vrouwtje door het mannetje in de lendenen vastgepakt alvorens tot voortplanting over te gaan. Deze omklemming (amplex) wordt uitsluitend in het water gevormd. Na iedere afgezette eiklomp voeren de dieren in omklemming een cirkeldans uit rondom de eiklomp (Abbühl & Durrer 2000, Lörcher 1969, Niekisch 1996, Nöllert & Günther 1996b, Seidel 1987, 1988, Seidel et al. 2001).

Het opvallendste, maar zelden waar te nemen gedrag van de geelbuikvuurpad is de zogenaamde ‘unkenreflex’ oftewel de vuurbuikpaddenreflex. Deze houding wordt aangenomen bij gevaar op het land. De wervelkolom wordt daarbij naar beneden gebogen waardoor de kop en het achterlijf naar boven komen. Tevens komen de voor- en achterpoten omhoog waarbij de onderzijde naar boven wordt gedraaid. Van boven zijn de gele waarschuwingskleuren op de onderzijde van de voor- en achterpoten zichtbaar en vanuit ‘kikkerperspectief’ ook de gele kleur op keel, borst en flanken. Een dier kan minutenlang roerloos in deze houding blijven liggen. In buitenlandse literatuur wordt wel melding gemaakt van dieren die deze houding verder doorzetten en op hun rug draaien, zodat de volledige buikzijde zichtbaar is. Er zijn geen aanwijzingen dat de Nederlandse dieren dit ook spontaan doen (Niekisch 1996, Nöllert & Günther 1996b, Tim van den Broek pers. med.).

Juvenielen die pas aan land zijn gegaan vluchten bij gevaar meestal het water in, waar zij zich drijvend aan het wateroppervlak stil houden. Zonnende volwassen dieren op de oever vluchten bij gevaar eveneens het water in en verdwijnen in de bodem onder het opwervelend substraat. Als de afstand tussen zonplaats en waterlijn te groot is, vluchten ze bij gevaar het land op (Niekisch 1996).

Vooral de volwassen en subadulte dieren bezitten het toxische bombezine dat door de huid wordt afgescheiden. Bij mensen kan alleen de lucht ervan al tot irritaties van het neusslijmvlies en de ogen leiden, met als gevolg niezen en ander ongemak. Het vormt waarschijnlijk een effectief afweermiddel tegen predatie (Niekisch 1996).

Verplaatsingen

Adulte dieren zijn tijdens de actieve periode zeer plaatstrouw. In een onderzoek waarbij volwassen dieren werden gemerkt, werden alle dieren na een of twee winters teruggevangen binnen 35 m van de vangplaats (Niekisch 1996). In 2002 zijn 87 verschillende individuen in groeve ’t Rooth vaker dan één keer waargenomen. Ruim 80% van de teruggevangen dieren werd in hetzelfde water aangetroffen als waar ze eerder waren gevangen (Bosman & Crombaghs 2003). Tussen seizoenen zijn in Nederland wel verplaatsingen vastgesteld. In enkele gevallen gaat het daarbij om afstanden van 250-300 m. Ook zijn er subadulte dieren bekend die over een afstand van 400 m tussen de Julianagroeve en groeve ’t Rooth migreerden (Bosman & Crombaghs 2003).

Niekisch (1996) vond dat adulte dieren zelden langer dan vier weken in het voortplantingswater aanwezig blijven. Tijdens regenbuien bleken soms alle dieren uit een water te vertrekken en vervangen te worden door exemplaren die zich tot dan op het land bevonden.

Na de metamorfose blijven juvenielen nog zo’n twee weken op de oever van hun geboortewater aanwezig. Het wegtrekken wordt sterk door de neerslag gestuurd. Juvenielen kunnen in enkele weken tot wel 800 m van hun geboortewater wegtrekken (Niekisch 1996). In Polen werd zelfs 1200 m vastgesteld (Plytycz & Bigaj 1984). De juvenielen vertonen zwerfgedrag en geen gerichte migratie. Het zijn in West-Europa vooral de jonge dieren die zich frequent verplaatsen en de grootste afstanden afleggen en daardoor ook nieuwe leefgebieden koloniseren (Herrmann 1996, Niekisch 1996).

Bijzonderheden

In groeve ’t Rooth zijn in 2000 drie dieren gevonden waarbij sprake was van misvormingen. Een subadult dier, dat veelvuldig is gezien, miste een oog. Een ander subadult dier had een misvormde bek. Ondanks dat het dier wat klein was, kon het zich al een tweede zomer handhaven. Bij een derde dier ontbrak een achterpoot (waarnemingen W. Bosman en B. Crombaghs). In 1985 en 1986 werd een volwassen dier dat een achterpoot miste twee jaar achter elkaar regelmatig waargenomen (Van den Broek 1992).

Bron

Auteur(s)

Laan, R.M., Delft, J.J.C.W. van, Bosman, W.

Publicatie