Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Geelbuikvuurpad Bombina variegata

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Bombina [genus] (2/1)
variegata [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertCreemers, R.C.M. (RAVON)

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: RAVON, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

statusInheems (1a)
habitatland zoet
referentieRAVON 2004
expertJeroen van Delft (RAVON)
status sinds 1982Nog te bepalen
status rode lijsternstig bedreigd / critically endangered

Areaal

De geelbuikvuurpad komt in grote delen van Midden-Europa en de Balkan voor. De soort ontbreekt op het Iberisch Schiereiland (Gasc et al. 1997). De hoogste vindplaats ligt in Albanië op 2200 m (Haxhiu 1994).

Het verspreidingsgebied van de in ons land voorkomende ondersoort Bombina variegata variegata bevindt zich in het noordelijk deel van het areaal. Vanuit Frankrijk strekt het verspreidingsgebied zich uit over Luxemburg, de Belgische Voerstreek (begin jaren 80 uitgestorven), de zuidelijke punt van Zuid-Limburg tot Midden- en Zuid-Duitsland. Aan de noordwestzijde wordt de grens van het Atlantische, laag gelegen deel gemeden. De zuidgrens loopt vanuit Frankrijk naar Zwitserland en Oostenrijk en via Tsjechië, Slowakije, Roemenië over de Karpaten tot in Moldavië waar de noordoostgrens wordt bereikt. In zuidoostelijke richting loopt het verspreidingsgebied door tot in de Karpaten.

Op de Balkan leeft de ondersoort B. v. scabra (Szymura & Gollman 1996) en afhankelijk van de gevolgde taxonomische inzichten ook B. v. kolombatovici (Dalmatië). De populaties in Italië ten zuiden van de Povlakte worden door veel auteurs niet meer als ondersoort van de geelbuikvuurpad maar als volwaardige soort, Italiaanse geelbuikvuurpad B. pachypus beschouwd.

Verspreiding in Nederland

De geelbuikvuurpad kwam vrij algemeen en verspreid over het uiterste zuiden van Limburg voor. De soort is volledig beperkt tot het Zuid-Limburgs district. Nu is deze soort daar nog maar op enkele plaatsen aanwezig en wordt er met uitsterven bedreigd.

Voor 1971

Schlegel (1862) noemt Nijmegen als vindplaats, maar dit wordt als bron onvoldoende betrouwbaar geacht. In museumcollecties zijn geen exemplaren van buiten Zuid-Limburg aanwezig. Alle waarnemingen buiten Zuid-Limburg worden door Bergmans & Zuiderwijk (1986) uitvoerig besproken. Zij komen tot de conclusie dat deze buiten het natuurlijke verspreidingsgebied vallen en betrekking hebben op verkeerde determinaties, verwarring met uitgezette uitheemse vuurbuikpadsoorten of op (on)bewuste verplaatsingen (zie ook Van Gelder 1976).

De eerste waarneming van een Limburgse geelbuikvuurpad dateert uit 1889. In de eerste helft van de twintigste eeuw komen alle waarnemingen uit de streek ten oosten van de Maas en ten zuiden van de lijn Kerkrade-Maastricht. De soort lijkt in Zuid-Limburg algemeen voor te komen (Cremers 1911, Van Wijk 1946). Door publicaties van Ter Horst (1960), Van de Bund (1964) en met name door onderzoek van Van Nieuwenhoven-Sunier et al. (1965) ontstaat in de jaren 60 een nauwkeuriger beeld van de verspreiding. De soort wordt aangetroffen in de omgeving van het Savelsbosch, de rand van het plateau van Margraten, de omgeving Margraten-Sibbe-Schin op Geul-Stokhem, de omgeving Eys-Wijlre-Ubachsberg-Imstenrade, de streek tussen Geul en Gulp, de omgeving van Vijlen en de omgeving van Wolfhaag (Lenders & Van den Broek 1992). Bij een uitgebreide inventarisatie van circa 500 poelen wordt de soort in 80 poelen aangetroffen (Van Nieuwenhoven-Sunier et al. 1965). Al voor de inventarisaties in de jaren 60 wordt melding gemaakt van een achteruitgang van de soort (Ter Horst 1959). In totaal zijn er 16 uurhokken met geelbuikvuurpadden bekend.

1971-1995

In de jaren 70 wordt een drastische terugloop van het aantal locaties vastgesteld. Duijghuisen et al. (1976) vinden de soort nog maar in 17 poelen, verdeeld over de eerder genoemde gebieden. Smit (1981) vermeldt nog maar vijf poelen, waarbij slechts sprake is van één populatie met een redelijk aantal dieren (ca. 25). Het aantal bezette poelen is daarmee met 94% afgenomen ten opzichte van begin jaren 60!

In de tweede helft van de jaren 80 en begin jaren 90 is er hernieuwde aandacht voor de soort en worden gedegen populatiestudies uitgevoerd (Laan & Verboom 1986, 1990b, 1994, Verboom & Laan 1988). Ook de in 2006 nog bestaande populaties maken deel uit van deze studies.

In 1985 wordt de totale populatiegrootte in ’t Rooth geschat op 97 dieren (Laan & Verboom 1986). De voortplanting was bijzonder slecht in vergelijking tot gezonde populaties en er waren weinig tot geen goede voortplantingswateren aanwezig. Er vond ook illegale wegvangst plaats. In 1990 komt de populatieschatting wederom uit op 97 dieren (Laan & Verboom 1990b). In 1985 wordt nog een tiental dieren in de Julianagroeve aangetroffen. Deze planten zich dat jaar voort in een nieuwe poel. Hoewel er daarna nog enkele poelen zijn aangelegd, zijn er vele jaren geweest zonder goede voortplantingsmogelijkheden. De poelen zijn in de loop der jaren verland of dichtgegroeid. De poelen tussen groeve ’t Rooth en de Julianagroeve, bedoeld als stapstenen, ondergingen al eerder eenzelfde lot. In 1985 zijn in het Gerendal nog 17 verschillende adulte dieren aangetroffen, verspreid over een groot gebied. In 1990 gaat het nog om drie dieren. Tijdens het uitgebreide onderzoek in 1985 zijn geen dieren in de Berghofweide aangetroffen.

De geelbuikvuurpad is veel gekweekt en illegaal uitgezet en verplaatst. Zo zijn in 1974 en 1975 maar liefst 1860 juvenielen uitgezet (Elzenga 1975, Raaijmakers & Elzenga 1976). Daarnaast zijn er 3180 larven verspreid over Zuid-Limburg losgelaten (archief ravon). Dit leidde niet tot vestiging (Lenders & Van den Broek 1992). Vanaf 1982 bevinden zich geelbuikvuurpadden bij Wahlwiller. Deze populatie is afkomstig van een uitzetting met dieren uit ’t Rooth. Het is de enige uitgezette populatie die zich ook op de langere termijn heeft kunnen handhaven.

1996-2007

In deze periode wordt een aantal studies naar de geelbuikvuurpad verricht die zich, behalve op de verspreiding, ook richten op de populatiedynamiek Hierdoor is een gedetailleerd beeld ontstaan van elke populatie (Bosman 1997, 1998, Bosman & Kurstjens 1999, Bosman & Crombaghs 2001, 2002, 2003, 2004a, 2004b, 2006, Crombaghs et al. 2006a).

De soort beperkt zich tot vijf locaties: groeve ’t Rooth en het droogdal direct ten noorden daarvan, de Julianagroeve, het Gerendal, de Berghofweide en de omgeving van Wahlwiller. In 2005 is daar, door een introductie in groeve Blom, een zesde locatie bijgekomen. In 2006 zijn enkele honderden larven uitgezet in de Meertensgroeve. Deze dieren zijn afkomstig van dezelfde groep dieren die is gebruikt voor de introductie in groeve Blom (zie hieronder). Naast deze populaties zijn incidentele waarnemingen elders in Zuid-Limburg bekend. Het betreft een vrouwtje (2001) en een subadult dier (2004) waargenomen in een tuinvijver op de Keutenberg. Deze dieren zijn mogelijk zwervers van de populatie van de Berghofweide of eventueel het Gerendal, maar uitzetting is ook mogelijk. In 2001 is een subadult dier afkomstig uit groeve ’t Rooth aangetroffen op de Koeberg nabij de Julianagroeve.

De volledige Nederlandse populatie (volwassen en subadulte dieren samen) van de geelbuikvuurpad schommelt tussen 2000 en 2007 grofweg tussen de 100 en 350 dieren (fig. 1). Na een sterke opleving in 2001 ten gevolge van de vele herstelmaatregelen in het kader van het soortbeschermingsplan vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad (Lenders 2000a), daalden de aantallen sterk in de periode 2004-2005. In 2006 en 2007 werden weer grote aantallen dieren gevonden, mede ten gevolge van enkele natte zomers.

De situatie in de vijf leefgebieden loopt sterk uiteen. Slechts ’t Rooth herbergde lange tijd de enige grote populatie. Daarnaast waren er in Wahlwiller nog wat grotere aantallen aanwezig. In 2006 en 2007 nam deze populatie echter sterk toe. In de andere drie gebieden zijn de laatste jaren in de regel minder dan 20 volwassen en subadulte dieren aanwezig. Op de Berghofweide is vanaf 2005 een herstel waarneembaar.

Groeve ’t Rooth (Nekamigroeve)

Deze groeve ligt in Margraten. Een deel van de 45 ha grote groeve is in 1987 na beëindiging van de mergelwinning in dat deel aangewezen als Beschermd Natuurmonument. In 2003 is dat deel van de groeve overgegaan naar het Limburgs Landschap. Het overige deel is langer in productie gebleven, maar inmiddels is ook daar de winning beëindigd.

Deze groeve en het aangrenzende droogdal aan de noordzijde herbergen veruit de grootste populatie van de geelbuikvuurpad in Nederland. De dynamiek die de exploitatie met zich meebrengt, lijkt hier de redding van de soort te zijn geweest. In 1997 bedraagt de populatieschatting 41 dieren. In 1999 zijn er nog maar 13 verschillende adulten en 56 subadulten waargenomen. De populatieschatting komt uit op 75 dieren. In 2000 zijn 37 verschillende adulten en zes subadulten waargenomen. Hierdoor valt de schatting van de populatiegrootte dat jaar lager uit (58 dieren). In 2000 zijn er in groeve ’t Rooth twee basishabitats aangelegd. Dit resulteerde in een goede voortplanting waarbij circa 200 juvenielen het land opkropen. In 2001 zijn wederom twee basishabitats aangelegd. De populatieschatting loopt verder op (165). Het grootste deel van de aangetroffen dieren bestaat uit subadulten (112 van de 130). Door de weinige regen komt de voortplanting laat op gang en is minder succesvol. Wellicht dat het geringe aantal adulte dieren hier ook debet aan is geweest.

In 2002 geeft de populatieschatting een verdere toename van het aantal dieren (176) te zien. De extreem droge zomer van 2003 zorgt voor het droogvallen van de meeste poelen en daardoor voor een slechte voortplanting. Er worden slechts 11 juvenielen geteld. In 2004 en 2005 is de voortplanting veel beter met respectievelijk ten minste 70 en ten minste 145 juvenielen. Met 213 waargenomen juvenielen op één dag beleeft ’t Rooth in 2007 een zeer goed voortplantingsjaar. Ook het totale aantal (sub)adulte dieren is dat jaar met 216 hoger dan in de 21 voorafgaande jaren.

In diverse jaren vindt er goede voortplanting plaats, meestal na aanleg of herstel van één of meer poelen. Het opkweken en vervolgens uitzetten van dieren heeft geen positief effect op de populatie gehad (Frissen 1998).

Het effect van goede voortplantingsjaren is duidelijk terug te zien in de opbouw van de populatie. In 1997 zijn bijna alle aangetroffen dieren met 39-45 mm erg groot en is de populatie vergrijsd. In de jaren erna komen als gevolg van succesvolle voortplanting weer kleine, jonge dieren in de populatie. De oude dieren zijn dan vrijwel volledig verdwenen.

Julianagroeve

Deze relatief kleine groeve ligt in Margraten en is niet meer als groeve in gebruik.

Tussen 1990 en 1997 worden er sporadisch dieren aangetroffen. Na herkolonisatie vanuit groeve ’t Rooth in 2001 vindt in 2002 voor het eerst weer voortplanting plaats in een in 2001 aangelegde basishabitat. Er worden dat jaar drie (sub)-adulte dieren aangetroffen. In 2003 liggen de beide voortplantingswateren van 2002 al vroeg droog en is er ondanks gericht en intensief onderzoek geen enkele geelbuikvuurpad gevonden. In 2004 zijn zeven dieren aanwezig, waarvan zes adulten. De voortplanting mislukt vrijwel volledig door het droogvallen van beide wateren waarin larven zijn gevonden. Er wordt slechts één juveniel gevonden. In 2005 worden drie dieren gevonden, twee mannetjes en een subadult, en in 2007 slechts één dier. In beide laatstgenoemde jaren heeft geen voortplanting plaatsgevonden.

Gerendal

Het Gerendal ligt in de gemeente Valkenburg en bestaat vooral uit uitgestrekte (helling)graslanden die plaatselijk rijk zijn aan orchideeën. Ook komen hellingbossen voor.

Tussen 1990 en 2000 worden er af en toe dieren waargenomen. Toch zijn er in 2000 weer tien adulten waargenomen en minimaal vijf juvenielen. Op basis van de terugvangsten wordt voor 2000 een populatiegrootte van 18 dieren berekend.

Dat hier nog geelbuikvuurpadden worden waargenomen heeft onder andere te maken met de hoge leeftijd die ze kunnen bereiken. Zo waren twee van de nog resterende drie dieren in 1990 al minimaal acht jaar. In alle jaren zijn er slechts sporadisch juvenielen aangetroffen, waarbij het vaak onduidelijk is of dit op voortplanting dan wel op illegale uitzetting duidt. Een aantal wateren is sterk begroeid geraakt en daardoor niet meer geschikt voor de voortplanting.

In 2001 is een groot aantal habitatverbeteringen doorgevoerd, waaronder de aanleg van een basishabitat. In 2002 heeft dit geresulteerd in goede voortplanting waarbij ten minste 400 larven op een dag konden worden geteld. Ook in 2003 vindt ondanks de droogte voortplanting plaats en worden zeven juvenielen geteld. Het aantal (half)volwassen dieren daalt echter tot drie. In 2004 zijn zeker vier subadulten en een volwassen vrouwtje aanwezig. Er worden meer dan 70 juvenielen geteld. Ook in 2005 zijn een adult vrouwtje en vier subadulten vastgesteld. Er zijn geen juvenielen aangetroffen, hoewel er wel 60 eieren waren gevonden. In 2007 worden slechts zes geelbuikvuurpadden aangetroffen en er heeft, net als in 2006, geen voortplanting plaatsgevonden.

Berghofweide

De Berghofweide is een ook botanisch zeer bijzonder hellinggrasland waarin enkele poelen liggen. Het gebied ligt op ongeveer 1 km afstand van het Gerendal.

Onder meer in 1997 en 1998 zijn meerdere dieren gevonden van verschillende leeftijd en geslacht en in 1997 ook twee larven (Tim van den Broek pers. med.). In 2003 is er ondanks gericht en intensief onderzoek geen geelbuikvuurpad waargenomen. In 2004 en 2005 wordt de populatiegrootte geschat op respectievelijk drie en zeven dieren. In 2004 kan voor het eerst sinds jaren voortplanting worden vastgesteld in een kort voor het voortplantingsseizoen aangelegde basishabitat. Er worden ten minste 59 juvenielen geteld. In 2005 vindt ook succesvolle voortplanting plaats, zij het minder dan in 2004. In 2006 en 2007 nemen de aantallen verder toe tot respectievelijk 12 en 22 geelbuikvuurpadden.

Wahlwiller

In 1982 zijn er nabij Wahlwiller, op een warme zuidhelling, ongeveer zes geelbuikvuurpadden afkomstig van groeve ’t Rooth uitgezet. Deze hebben zich hier gehandhaafd en voortgeplant. Op basis van de lengteverdeling in de populatie in 2000 is geconcludeerd dat er in 1998 in ieder geval een geslaagde voortplanting is geweest. Ook in 2000 zijn er uit een in dat jaar opgeschoonde kunststofbak 200 juvenielen het land opgekropen. De geschatte populatiegrootte is toegenomen van 16 dieren in 2000 naar 52 in 2001. In 2002 wordt de populatiegrootte geschat op 30 exemplaren en dat aantal daalt in 2003 naar 22 dieren, die zich vanwege de droogte niet voortplanten. In 2004 wordt de populatiegrootte op 17 exemplaren geschat en worden geen subadulten vastgesteld. Er zijn dat jaar ten minste 65 juvenielen geteld. In 2005 is voor het eerst sinds 2001 sprake van populatiegroei. De omvang wordt geschat op 29 dieren, waarvan zeker 12 subadulten. Er worden ten minste 111 juvenielen geteld. In 2006 en 2007 zijn respectievelijk 170 en 107 (sub)adulte geelbuikvuurpadden geteld.

Groeve Blom

In 2005 is met ontheffing een (her)introductie in de groeve Blom in Berg en Terblijt uitgevoerd, met dieren die afkomstig zijn uit Wahlwiller. Daar zijn laat in het jaar larven weggevangen die de metamorfose niet konden afronden en bij de eerste nachtvorst dood zouden zijn gegaan. Deze zijn opgekweekt en er is nakweek geweest. Er zijn 1289 larven en acht (half)volwassen dieren uitgezet. Aan het einde van het seizoen zijn naar schatting 250 jonge geelbuikvuurpadden en zes (half)volwassen dieren in de groeve aanwezig. Groeve Blom is daarmee de zesde locatie in Nederland waar deze soort met meerdere exemplaren voorkomt.

Trend

Lange termijn

De geelbuikvuurpad staat op de Rode Lijst in de categorie ‘ernstig bedreigd’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met 84% afgenomen (Van Delft et al. 2007). Het verdwijnen van de voortplantingswateren en de aantasting van de kwaliteit van de landhabitat worden gezien als de belangrijkste redenen van de achteruitgang (Bergmans & Zuiderwijk 1986, Hanekamp & Stumpel 1984).

Door veranderd grondgebruik en een verlies van functie zijn veel voortplantingswateren en landhabitats verdwenen of ongeschikt geworden. Dit proces ging samen met ontwatering en verdroging, het dempen van poelen en blusvijvers, het opruimen van heggen, graften en overhoekjes en het verharden van holle wegen en bospaden. Hierdoor zijn wateren in karrensporen en andere tijdelijke watertjes op grote schaal verdwenen. Dit proces is al in de jaren 50 in gang gezet, waarbij ook de verharding van bospaden in natuurgebieden al genoemd werd (Ter Horst 1959). De geelbuikvuurpad werd extra getroffen, omdat deze voor de voortplanting juist gebruik maakt van deze pionierwateren. De schaarse plekken waar deze wateren wel aanwezig waren, bijvoorbeeld in in gebruik zijnde dagbouwgroeven, zijn in Zuid-Limburg en aangrenzend Duitsland steeds belangrijker geworden voor het voortbestaan van de soort. Het uit productie nemen van mergelgroeven heeft een snelle successie tot gevolg gehad, zowel op het land als in de voormalige voortplantingswateren. Dit alles heeft tot een sterke versnippering van populaties geleid. Ook in andere habitats traden successie en verruiging op als gevolg van overbemesting en door het achterwege blijven van kap- en maaiwerkzaamheden (Creemers 1996, Lenders 2000a). Er zijn ook veel dieren weggevangen.

Recente ontwikkeling

De trend van de geelbuikvuurpad binnen de periode waarin deze soort gemonitord wordt (2000-2007) is een sterke toename (goverse et al. 2008). Na de uitvoering van allerlei habitatverbeteringen in het kader van het soortbeschermingsplan vanaf 2000, nam het aantal aangetroffen dieren in Limburg tot en met 2002 toe. Vanaf 2003 dalen de aantallen weer, waarbij de extreem droge zomer van 2003 een belangrijke negatieve rol speelde. Ook kan wegvangst van invloed zijn geweest op de resterende geringe aantallen (Bosman & Crombaghs 2004b). De laatste jaren nemen de aantallen weer sterk toe.

Bron

Auteur(s)

Laan, R.M., Delft, J.J.C.W. van, Bosman, W.

Publicatie