Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Gewone pad Bufo bufo

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Bufonidae [familie]
Bufo [genus] (1/1)
bufo [soort]

Habitat

De gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap. Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken en ruderale terreintjes. De soort ontbreekt alleen op plaatsen waar geen voortplantingswateren voorhanden zijn, in geheel open landschap en in wateren met een te hoog zoutgehalte.

De gewone pad is een generalist die geen speciale eisen stelt aan bodem- en landschapstypen. De soort kan op vrijwel elk bodemtype en in elk landschap worden aangetroffen, van het zeeklei-, laagveen- en duinlandschap in Laag-Nederland tot het zand- en heuvellandschap in Hoog-Nederland en Zuid-Limburg.

In het ravon-databestand t/m 2005 zijn 5968 van de 44.869 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (13%). Infrastructuur (wegen en dijken) springt er uit als het ‘landschapstype’ met veel waarnemingen. De soort wordt vaak gericht op dat soort locaties gezocht en is er in grote aantallen en gemakkelijk waarneembaar. Daarnaast zijn de waarnemingen verdeeld over alle landschapstypen. De gewone pad komt ook veelvuldig voor in dorpen en steden.

Van de 44.869 waarnemingen zijn er 3750 voorzien van een waterhabitatcodering (8%). De soort wordt vooral gemeld uit kleine wateren en sloten en weteringen. In kleine en zure wateren (poelen resp. (verzuurde) vennen) lijkt de soort ondervertegenwoordigd te zijn.

Als voortplantingshabitat is vrijwel elk niet verzuurd of brak water geschikt. De gewone pad is een van de weinige amfibieën die nauwelijks last heeft van predatie door vissen. Daardoor komt de pad voor op allerlei plaatsen waar andere amfibieën niet tot voortplanting komen. In stedelijke gebieden kunnen steile beschoeiingen van water een belemmering voor padden vormen. Ze komen wel in het water, maar ze komen er nooit meer uit en verdrinken. Een oplossing daarvoor is de aanleg van natuurlijke oevers, uittreedplaatsen of diervriendelijke beschoeiing.

In het rivierengebied zijn vrijwel alle daar aanwezige wateren (poelen, oude strangen, kolken, kleiputten en sloten) belangrijk als voortplantingswater, mits ze maar niet te jong zijn (Creemers 1994a). In Limburg werden gewone padden veelal aangetroffen in de wat grotere poelen (Van Buggenum 1996). Zowel de leeftijd van de poel (vier jaar of ouder), diepte (>1 m) en pH (8-11) zijn belangrijke karakteristieken (Stumpel & Van der Voet 2005).

Als zomer- en winterhabitat zijn de meest uiteenlopende habitats geschikt. De soort wordt gevonden in bosgebieden, stadsranden en parken, landgoederen, heiden, venen, moerassen en overhoekjes. Eigenlijk is vrijwel elke habitat met een gevarieerde vegetatiestructuur, of met allerlei structuur biedende rommel die dienst kan doen als schuilplaats, geschikt. Deze zomerhabitat kan in de directe omgeving van het voortplantingswater liggen. In de herfst trekken de padden van hieruit terug naar hun overwinteringsplaatsen. Of de zomer- en winterhabitat dezelfde zijn hangt af van de aard van het terrein.

Aangezien gewone padden ondergronds overwinteren, zullen ze in een gebied met een hoge grondwaterstand doorgaans naar hogere gronden trekken om te overwinteren. Ze gebruiken dan bijvoorbeeld dijken, terpen of erven van boerderijen. Langs de binnenduinrand overwinteren ze in de duinen, maar kunnen ze de achter de duinen gelegen polder gebruiken als zomerhabitat. In andere delen van hun verspreidingsgebied overwinteren ze doorgaans in relatief droge bossen, in dijklichamen, op erven en in kelders of maken gebruik van overhoekjes in agrarische landschappen of natuurlijk beheerde tuinen in het stedelijk gebied. In uiterwaarden overwinteren gewone padden op zowel hoogwatervrije plaatsen als in de delen die frequent overstromen. Winterhabitats zijn wilgenbos en struweel en grazige vegetaties op zandige bodems en ruigten. Als zomerhabitat worden in uiterwaarden vooral wilgenbos, grazige vegetaties en ruigten gebruikt (Bosman, 1994).

Begeleidende soorten

Alle amfibieën- en reptielensoorten kunnen gezamenlijk met de gewone pad worden aangetroffen. De bruine kikker is op tweederde van alle vindplaatsen van de gewone pad waargenomen. De belangrijkste karakteristieke begeleiders zijn kleine watersalamander, bruine kikker, bastaardkikker en groene kikkers. Ook zij hebben een zeer ruime verspreiding in Nederland en een ruime habitatkeuze.

Bron

Auteur(s)

Snep, R., Martens, G.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.