Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Gewone pad Bufo bufo

Foto: Marion Haarsma

Indeling

Bufonidae [familie]
Bufo [genus] (1/1)
bufo [soort]

Jaarritmiek

De gewone pad kan gedurende het hele jaar worden waargenomen. Alleen tijdens langdurige vorstperioden wordt de soort niet of nauwelijks gezien. Er zijn echter wel waarnemingen van trekkende exemplaren op nog bevroren vennen (eigen waarnemingen).

De gewone pad is, vergeleken met de andere soorten amfibieën, reeds vroeg in het voorjaar actief. In warme voorjaren begint al in de tweede helft van februari de voorjaarstrek langzaam op gang te komen, gebruikelijker is echter de eerste helft van maart. Voorwaarde voor de trekactiviteit zijn een hoge relatieve luchtvochtigheid (>80%) en een luchttemperatuur boven 7°C. Neerslag zorgt altijd voor een verhoogde activiteit. Sterke activiteit treedt op bij neerslag na een langere droge periode, en bij relatief warme vochtige avonden in het voorjaar. In de zomer is de minimumtemperatuur voor activiteit wat hoger, namelijk 10-12°C. Vanaf 21°C neemt de activiteit geleidelijk af. (Staal 1982).

De omvang van de voorjaarstrek kan als gevolg van de sterke afhankelijkheid van het weer per dag behoorlijk verschillen. Vooral in het begin van de trekperiode is de avondtemperatuur en luchtvochtigheid een goede voorspeller voor de trekactiviteit. In sommige jaren trekt de gehele populatie in anderhalve week naar het voortplantingswater; in andere jaren met een meer fluctuerende temperatuur kan dit enkele weken duren. De eerste dieren bij het voortplantingswater zijn meestal mannetjes. Op plaatsen met een hoge verkeersdruk vallen in de trekperiode veel slachtoffers onder de padden.

De piek in het aantal actieve dieren tijdens de voortplanting ligt in maart en april, waarna het aantal snel afneemt. De padden verspreiden zich na april over de beschikbare landhabitat en worden dan minder gemakkelijk waargenomen.

De eieren worden in maart en april gevonden. Bij latere meldingen is het bepaald niet uit te sluiten dat verwarring met eisnoeren van de rugstreeppad is opgetreden. De meeste eisnoeren worden tussen vegetatie of rond in het water hangende takken afgezet, maar soms ook op een kale bodem. De laatste padden verlaten het voortplantingswater uiterlijk in mei en brengen de rest van het jaar door in de landhabitat.

Larven worden vooral aangetroffen vanaf half april tot en met half juni. In juni of juli zijn de meeste juvenielen te vinden. Ze verblijven de eerste dagen na de metamorfose op de oever van het voortplantingswater. In sommige gevallen is er sprake van een zo massale aanwezigheid, dat van een ‘paddenregen’ wordt gesproken. Lopen langs de oever van een water is dan niet meer mogelijk zonder jonge padden te vertrappen.

Juvenielen en subadulten worden nooit langdurig in het water aangetroffen. Ook volwassen dieren komen buiten de voortplantingstijd alleen in warme en droge perioden in het water.

Soms vertonen padden in het najaar een trekbeweging richting voortplantingswater. Amplexvorming of eiafzetting tijdens deze trek is in Nederland niet bekend. In Duitsland is amplexvorming en trek in het najaar (half augustus) wel waargenomen (G. Martens pers. med.).

Doordat de invloed van temperatuurswisselingen bij de trek naar de overwinteringsplaatsen een minder grote rol speelt is er van geconcentreerde migratie geen sprake. Deze najaarstrek is meer gelijkmatig en gespreid en daardoor minder opvallend. Ook deze trek eist echter veel verkeersslachtoffers.

Vanaf de tweede helft van oktober, bij luchttemperaturen onder de 10°C, wordt de activiteit van de dieren beduidend minder. Het tijdstip waarop padden gaan overwinteren is afhankelijk van de temperatuur en valt meestal tussen half oktober en half november. Onderzoek met gezenderde padden heeft aangetoond dat ze zich tijdens de winterrust ook verticaal in de bodem verplaatsen met de op en neer gaande bodemtemperatuur (Bosch & Starmans 1982). Op deze wijze voorkomen ze bevriezing.

Voedsel

De eisnoeren van de gewone pad bevatten 2000 tot 6000 eieren. De ontwikkeling van ei naar larf voltrekt zich in ongeveer een week tot tien dagen (Arntzen 1981), waarna het gewoonlijk nog twee tot drie maanden duurt voordat de larven de metamorfose tot juveniel voltooien. In voedselarme en beschaduwde wateren kan de ontwikkelingstijd tot een volgroeide larf enkele maanden langer duren. De larven leven eerst in vaak zeer dichte scholen, later solitair. Overwintering van larven is niet bekend.

Pas nadat jonge padden geslachtsrijp zijn, gaan ze voor het eerst terug naar het water. Mannetjes hebben dan minstens twee maal overwinterd en vrouwtjes minimaal drie keer (Hemelaar 1981).

Gewone padden kunnen oud worden. Klingelhöffer (1955) meldt een gewone pad, die 36 jaar in een tuin woonde tot hij slachtoffer werd van een raaf. Onder meer natuurlijke omstandigheden kunnen padden zeker meer dan tien jaar oud worden. De gemiddelde leeftijd van mannetjes en vrouwtjes in een populatie in Noorwegen was respectievelijk 8,2 en 9,8 jaar (Krasowski & Eeken 1983). In Zwitserland waren de meeste zich voortplantende mannetjes 8-10 jaar oud, vrouwtjes 11-12 jaar (Claessen & Van Gool 1983).

Predatoren

Door de aanwezigheid van gifstoffen in de huid van gewone padden, in hun larven en in hun eieren is deze soort relatief ongevoelig voor predatie en vindt er zelfs succesvolle voortplanting plaats in visvijvers.

Tijdens de paddentrek worden soms tientallen gedode gewone padden rond het voortplantingswater aangetroffen. Kraaiachtigen, zoals eksters (Denton & Beebee 1994), zijn hiervoor verantwoordelijk. Ze draaien de volwassen padden om en eten het spierweefsel, terwijl ze de huid en gifklieren vermijden. Padden worden ook gegeten door de ringslang. Ook allerlei watervogels en roofvogels, zoals buizerd en uilen, prederen gewone padden. Resten van padden zijn dan ook te vinden in braakballen van uilen en andere vogels (Engelmann et al. 1986). Ook lijsterachtigen prederen kleinere (juveniele) gewone padden.

Onder de zoogdieren zijn het onder meer egel, vos, bunzing, das en bruine rat die gewone padden eten (Goszczynski et al. 2000). Bunzingen zijn in staat padden de huid af te stropen, om ze vervolgens op te eten.

Op paddenlarven wordt nauwelijks gepredeerd door vissen, maar wel door geelgerande waterroofkevers en hun larven en door libellenlarven en wantsen. Watersalamanders eten vaak wel amfibieënlarven maar nauwelijks of geen paddenlarven (Glandt 1984, Reading 1990).

In het voorjaar en in de winter worden in het veld regelmatig glimmende geleihoopjes, het zogenaamde ‘sterrenschot’, aangetroffen. Het zijn de zweleiwitten, die de eieren normaal gesproken omgeven en beschermen. Na het eten van vrouwtjes met eieren braken predatoren deze zweleiwitten uit.

Gedrag

Mannetjes zijn tijdens de voorjaarstrek zeer sterk gericht op het zoeken naar een vrouwtje. Hierdoor zijn trekkende vrouwtjes vaak al voor het bereiken van de voortplantingsplek voorzien van een mannetje. Het mannetje laat zich vervolgens op de rug van het vrouwtje naar het water vervoeren. Alle mogelijke partners worden vastgepakt. Dit kunnen dus ook andere mannetjes zijn, die dan middels een afweerroep laten weten dat er een verkeerde keuze is gemaakt. Ook andere amfibieën, zoals groene en bruine kikkers, worden regelmatig het ‘slachtoffer’ van de paringsdrift van de gewone pad.

Om ervoor te zorgen dat passerende vrouwtjes worden opgemerkt, zoeken mannetjes open plekken, zoals bospaden, in de omgeving van het voortplantingswater op. Ze richten zich daarbij zover mogelijk op om de omgeving goed te kunnen overzien.

Gewone padden vertonen soms een doeltreffende afweer tegen de ringslang. Ze richten zich hoog op de poten op, waardoor ze groter lijken, en blazen zichzelf zodanig op, dat ze te groot lijken om opgegeten te worden.

Wanneer een larve van de gewone pad beschadigd wordt, scheidt deze uit klieren uit de rughuid stoffen af die een vluchtreactie van de andere larven opwekken. Ook schoolvorming van de larven kan als een overlevingsstrategie beschouwd worden (Nöllert & Nöllert 2001). Bij zeer hoge dichtheden aan larven kunnen grote, langgerekte scholen ontstaan. Daarbij volgen de larven allemaal dezelfde beweging langs de oever.

Verplaatsingen

Gewone padden kunnen bij het trekken van de overwinteringsplaats naar de voortplantingswateren een afstand van enkele kilometers afleggen. De gemiddelde snelheid van padden tijdens deze voorjaarstrek is 30 m/h (Aarts & Staal 1981). Hierbij wordt meestal de kortste route genomen, waarbij barrières als wegen niet vermeden worden.

De soort is bepaald geen pionier. In de eerste drie jaar na aanleg worden poelen nauwelijks gebruikt voor voortplanting. In een tweetal poelenonderzoeken worden opvallend lage bezettingspercentages van onder de 15% gemeld voor nieuw aangelegde poelen (Van Buggenum 1996, Stumpel & Van der Voet 1998). Voor een optimaal gebied als de Meinweg daarentegen wordt een bezettingspercentage van bijna 57% voor nieuw aangelegde poelen gemeld (Lenders 2005b).

Bron

Auteur(s)

Snep, R., Martens, G.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.