Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Knoflookpad Pelobates fuscus

Foto: Jesper Berndsen

Indeling

Pelobatidae [familie]
Pelobates [genus] (1/1)
fuscus [soort]

Beschrijving

De lengte van een volwassen knoflookpad is 4-6 cm. De mannetjes zijn gemiddeld iets kleiner dan de vrouwtjes. In Duitsland zijn vrouwtjes tot 7,5 cm gevonden. (Andrzejewski et al. 1977, Crombaghs & Hoogerwerf 1996, Nöllert 1990, Nöllert & Günther 1996a).

De basiskleur van de knoflookpad bestaat uit twee bruintinten: zandkleurig en leverkleurig. Vrijwel alle dieren hebben drie zandkleurige lijnen op de rug, die een pijl vormen in de richting van de kop. Verspreid over het lichaam bevinden zich zwarte en soms ook rode puntjes. Geslachtsrijpe mannetjes zijn het gemakkelijkst van vrouwtjes te onderscheiden door het bezit van paarborstels en twee ovale klieren op de bovenarmen.

Aan de basis van de binnenste teen van de achterpoot bevindt zich een grote, platte, scherpgerande graafknobbel. Met deze metatarsusknobbel kunnen knoflookpadden zich snel achterwaarts in zandige bodems ingraven. Kenmerkend voor volwassen dieren is de korte en brede kop en het gewelfde schedeldak, waardoor het dier een bult op zijn achterhoofd lijkt te hebben.

De eieren van de knoflookpad worden in relatief brede, korte snoeren van 1,5-2,5 cm doorsnede en 40-70 cm lengte afgezet.

Larven van de knoflookpad zijn egaal grijs, bruin of bijna zwart. Grotere larven zijn herkenbaar aan de opvallend dikke buik en een spleet- of knotsvormige pupil, de uitstroomopening zit op de linkerflank. Deze kenmerken zijn goed met het blote oog te zien vanaf een lengte van circa 6 cm. De larven bereiken ten opzichte van de larven van andere amfibieën een grote lengte (max. 18 cm). Al voordat de dieren als juvenielen het water verlaten, breekt het soortspecifieke kleurpatroon door. Dat vlekkenpatroon is bij de juvenielen al volledig ontwikkeld en verandert tijdens de verdere ontwikkeling nauwelijks meer, waardoor individuele herkenning van de dieren mogelijk is (Nöllert 1990).

Herkenning

Vooral verwisseling van de knoflookpad met de gewone pad en rugstreeppad is reëel. De opvallendste verschillen met deze echte padden (familie Bufonidae) zijn de grote graafknobbel, de gladdere en dunnere huid en de verticale pupillen. In tegenstelling tot gewone pad en rugstreeppad bezit de knoflookpad geen parotoïdklieren op de kop. De eisnoeren van de knoflookpad zijn aanmerkelijk korter en dikker dan de eisnoeren van de echte padden. Een groot verschil met de eisnoeren van andere padden is de zeer onregelmatige ordening van de eieren in het eisnoer.

De larven worden nogal eens verward met larven van groene kikkers. Ze zijn hiervan te onderscheiden door de plaatsing van de anus in het midden van de staartbasis. Bij kikker¬larven is deze opening aan de zijkant geplaatst. De liptanden geven duidelijk uitsluitsel, geen enkele andere soort heeft zoveel rijen liptanden als de knoflookpad (Van Diepenbeek & Creemers 2006). De larven zijn opvallend egaal gekleurd zonder vlekjes en streepjes. Deze vlekken en strepen zijn bij larven van groene kikkers meestal wel aanwezig. De groengele rugstreep, die bij volgroeide larven van groene kikkers vaak al zichtbaar is, ontbreekt bij knoflookpadlarven. Aan het einde van de metamorfose hebben knoflookpadlarven al het typische kleurenpatroon van volwassen knof-lookpadden.

Het geluid van de knoflookpad is niet eenduidig te omschrijven, maar komt het dichtst in de buurt van het drie- tot viermaal achter elkaar klakken met de tong.

Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (2006).

Bijzonderheden

In de Overasseltse en Hatertse Vennen is tijdens acht jaar onderzoek één knoflookpad gevonden waarbij het linkeroog ontbrak en een exemplaar met vijf poten (Piet van den Munckhof pers. med.). Het dier had twee functionerende linkervoorpoten waarbij de tweede zich tussen de kop en de normale linker voorpoot bevond.

Onder de vele honderden knoflookpadden die tijdens de landfase in de Overasseltse en Hatertse Vennen zijn waargenomen, is er eenmaal een dier geweest dat na het pakken een schreeuwend geluid produceerde (Wilbert Bosman pers. med.). Deze angstkreet is ook uit de literatuur bekend (Nöllert 1990).

Bron

Auteur(s)

Eijk, J. van, Crombaghs, B., Creemers, R.C.M.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.