Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Knoflookpad Pelobates fuscus

Foto: Jesper Berndsen

Indeling

Pelobatidae [familie]
Pelobates [genus] (1/1)
fuscus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieWaarnemingen overzicht 2002
ExpertCreemers, R.C.M. (RAVON)

Trend

Trend gehele periode: Stabiel
Trend laatste 10 jaar: Onzeker

Bron: RAVON, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

statusInheems (1a)
habitatland zoet
referentieRAVON 2004
expertJeroen van Delft (RAVON)
status sinds 1982Nog te bepalen
status rode lijstbedreigd / endangered

Areaal

De knoflookpad heeft een continentale verspreiding. De westelijke areaalgrens loopt door Nederland, België en Oost-Frankrijk. In Zwitserland komt de soort, voor zover bekend, niet voor. 

In Oostenrijk is de verspreiding beperkt tot het Donaudal. In noordelijke en oostelijke richting komt de soort voor van Denemarken tot in Siberië.

In Italië komt de knoflookpad voor in de Povlakte. Het betreft hier de ondersoort Pelobates fuscus insubricus (Nöllert & Nöllert 2001). De knoflookpad is voornamelijk een laaglandsoort, die kan voorkomen tot op een hoogte van circa 800 m (Gasc et al. 1997).

Verspreiding in Nederland

In Nederland wordt de knoflookpad aangetroffen op pleistocene zandgronden in Limburg, Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe. Oude meldingen uit de provincie Utrecht berusten op foute determinaties. De belangrijkste concentraties zijn momenteel te vinden in Drenthe (onderdeel van het Veluws-Drents district) en in het rivierengebied (het fluviatiel district). Hierbuiten gaat het niet goed met de soort. De soort is vaak rivier- en beekdalbegeleidend (Pelt & Van Bree 1965, Bergmans & Zuiderwijk 1986) en plant zich daar voort in zelden overstromende (laagdynamische) wateren in of bij rivierduinen. De versmalling van het winterbed, de verhoogde hydrodynamiek en de voortgeschreden uitkleding van het oorspronkelijke rivierenlandschap hebben de soort hier echter ver teruggedrongen.

De knoflookpad wordt ook aangetroffen in verrijkte vennen aan de randen van beek- en rivierdalen en ook wel in agrarische gebieden met zandige, extensief bewerkte bodems. Door verzuring van voortplantingswateren en door intensivering van de akkerbouw heeft de soort hier veel terrein prijs moeten geven.

Voor 1971

Uit deze periode zijn veel uurhokwaarnemingen bekend (o.a. Pelt & Van Bree 1965, Oomen 1966, Oomen & Van Gelder 1967). De oude verspreiding is echter sterk onderschat, vanwege het slechte onderzoek naar de soort in deze periode. Regio’s die in latere perioden niet meer bevestigd worden zijn onder andere te vinden in het noorden van Drenthe (1948 en 1965), de kop van Overijssel (rond Steenwijk, tot 1961), in de Gelderse Vallei (Nijkerk, tot 1920), Wageningen (tot 1946), Bemmel (1955), Lent (1952), Nijmegen (1911), Bergen op Zoom (1960), Putte (1953) en enkele plekken rond Tilburg. In de Achterhoek en Twente gaan ook enkele vindplaatsen verloren.

Het verspreidingsbeeld komt niet geheel overeen met eerdere atlassen. Afgekeurd zijn larvenvangsten die duidelijk alleen vanwege hun grootte zijn aangemerkt als knoflookpad. Ook larvenvangsten op ongebruikelijke plekken of waarnemingen met aantoonbare fouten in de plaatsbepalingen zijn afgekeurd. Van alle in de literatuur vermelde waarnemingen zijn de brongegevens (oude waarnemingskaartjes en correspondentie) bestudeerd. Als voorbeeld kan de waarneming uit het Zuid-Limburgse Epen dienen, waarvan museummateriaal bewaard zou zijn gebleven (Ter Horst 1960, Pelt & Van Bree 1965). Dit materiaal is in het rmnh-archief teruggevonden als Epe (zonder –n!), bij Wilp (ge). Hier zijn dus plaatsnamen verwisseld. Een andere oude waarneming uit Zuid-Limburg bleek betrekking te hebben op een dier dat riep vanuit een muurtje. Dit gedrag is eerder karakteristiek voor een vroedmeesterpad dan voor een knoflookpad. Na kritische beschouwing blijven in het zuiden van Limburg alleen meldingen uit het Maasdal (Gronsveld) en Bingelrade (1953) overeind. Alle overige meldingen uit deze regio betreffen verwisseling met vroedmeesterpadden.

1971-1995

In deze periode wordt een nauwkeuriger beeld verkregen van de verspreiding van de soort. Voor zover bekend zijn veel populaties echter beperkt tot slechts een of hooguit twee vindplaatsen in een kilometerhok. Alleen langs delen van de IJssel en de Overijsselse Vecht, in de Meinweg en het aangrenzende Roerdal en in de Overasseltse en Hatertse Vennen worden (meta)populaties van enige omvang aangetroffen. Voor het overige zijn het vrijwel allemaal kleine populaties, die in de periode erna voor het overgrote deel zijn uitgestorven. In Drenthe is in deze periode nog maar één vindplaats bekend.

In Overijssel is de soort aangetoond in het land van Vollenhove, langs de Overijsselse Vecht en nog op diverse plekken in Twente. In de aangrenzende Achterhoek zijn nog vier uurhokken bekend uit deze periode. In beide regio’s komt de soort echter sterk onder druk te staan. Soortgerichte inventarisaties op kansrijke plekken langs de IJssel (Creemers & Crombaghs 1995) leveren bijna tien nieuw ontdekte voortplantingswateren op. Van de oude vindplaatsen is het merendeel echter al verdwenen, zodat vermoedelijk ook hier de verspreiding ruimer is geweest. Langs de Waal bij Ewijk wordt een geïsoleerde populatie ontdekt – mogelijk de laatst overgebleven populatie van de knoflookpadden die ooit de Gelderse Poort en de Waaluiterwaarden stroomafwaarts van Nijmegen hebben bevolkt.

De laatste vindplaats in de regio Tilburg, de Zwaluwenbunders, verdwijnt na 1987 (Crombaghs et al. 1993). Elders in Noord-Brabant worden in deze periode enkele nieuwe, volledig van elkaar gescheiden vindplaatsen ontdekt (Stumpel et al. 1982, Crombaghs et al. 1993). Het zijn de restanten van een verspreiding die vroeger veel meer aaneengesloten geweest is. De knoflookpad lijkt in deze periode nog vrij algemeen voor te komen in delen van Noord- en Midden-Limburg, maar ook hier verdwijnen populaties, onder andere die in de Hamert (1981), het Joostemermeer te Horst (1987) en het Marissen te Echt (1978).

1996-2007

Midden jaren 90 wordt gestart met specifiek op de knoflookpad gerichte inventarisaties. Dit blijkt een effectieve manier om de soort op te sporen. Bij standaard poelenonderzoek met alleen dagbezoeken is de gehanteerde methodiek niet geschikt voor het vinden van de soort.

In 2003 worden wateren en akkers rond de laatste Drentse vindplaats onderzocht. Er blijken in deze regio op meer plekken knoflookpadden voor te komen (Buro Bakker 2004). Met dit onderzoek wordt Valthe in een klap op de kaart gezet als de plek met een van de meest levensvatbare populaties in Nederland. De tweede Drentse vindplaats betreft een vooralsnog eenmalige vondst uit een beekdal net ten zuiden van het Dwingelderveld.

Ook uit onderzoek langs de Overijsselse Vecht (Van der Lugt et al. 2000) blijkt dat de populaties hier groter zijn dan daarvoor bekend was. Elders in Overijssel lijkt de soort uit nagenoeg alle gebieden te zijn verdwenen (Prudon 2002). Geïsoleerde populaties houden echter nog stand in Barvoorde (Spikmans & Bosman 2003) en het land van Vollenhove (Bosman & de Vries 2005). In 2000 wordt de aanwezigheid van de soort op de Agnietenberg bij Zwolle, na bijna vijftig jaar, weer bevestigd (van der Lugt et al. 2000). In 2008 wordt de soort ook weer herontdekt voor Twente (Denekamp). Deze vindplaats valt echter buiten de atlasperiode en is daarom niet op kaart weergegeven. Langs het Gelderse deel van de IJssel komt de soort onder andere voor rond Twello, langs de Bomendijk, rond het Sterrebos-Voorstonden tot aan het rivierduin Cortenoever (Creemers & Crombaghs 1995, van Hoof & Brouwer 2006). Ten zuiden hiervan sterft de soort echter al in het begin van de jaren 90 uit. Aan de oostzijde bevinden zich nog populaties bij Gorssel (ge) en bij het landgoed Rande ten noorden van Deventer (ov). In de Achterhoek houdt de knoflookpad tot 1999 nog stand in de Kruisbergsche bossen bij Doetinchem (Felix et al. 1999). Daarna is de soort hier niet meer waargenomen. Daarmee lijken alle vindplaatsen in de Achterhoek verdwenen, totdat in 2005 toch weer knoflookpadden worden waargenomen bij Lichtenvoorde, vlak bij een oude vindplaats (A. Stortelder pers. med.). Een jaar later wordt er een locatie bij Zieuwent ontdekt. In 2002 en 2004 komen nog twee meldingen binnen uit twee verschillende, aaneengesloten kilometerhokken langs de Oude IJssel bij Gaanderen in de Achterhoek. Deze zijn nog niet bevestigd, waardoor de status van deze waarnemingen nog onduidelijk is.

In Noord-Brabant komt de knoflookpad na 1995 nog op vier plekken voor in het oosten van de provincie (Rauwven, Hondsven, Toterfout en Heieind). De populatie in het Rauwven kan inmiddels als uitgestorven worden beschouwd (Bosman 2005, Schuitema 2005). In Limburg wordt de situatie precair, met name in en rond de Meinweg neemt de populatie steeds verder in omvang af (Lenders 1994, Crombaghs et al. 1999). In 2004 is hier nog maar één roepend mannetje gehoord en in 2005 wordt er in twee wateren geroepen (Van Hoof et al. 2005). In het Roerdal is de soort na 1997 niet meer waargenomen (Geraeds 2004a). Tussen de Meinweg en Roermond wordt de soort nog spaarzaam aangetroffen (Geraeds & van Schaik 2001, Van Hoof & Crombaghs 2005). De soort handhaaft zich wel nog goed op de Bergerheide, waar de soort zich uitbreidt door op tijd genomen beheermaatregelen. Daarnaast bevindt zich een stabiele populatie in het Heerenven en een kleine populatie bij Heythuysen in het beekdal van de Tungelroysche beek (Van Hoof et al. 2005). Op de Boshoverheide (bij Weert) is een eenmalige waarneming gedaan van een tweetal dode exemplaren.

Het algemene beeld is dat de populaties in de beek- en rivierdalen zich nog het best weten te handhaven. Samen met de populatie in Valthe vormen deze momenteel de meest levensvatbare populaties.

Trend

Lange termijn

De knoflookpad staat op de Rode Lijst in de categorie ‘bedreigd’. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 1950) met 74% afgenomen (Van Delft et al. 2007).

De belangrijkste redenen voor de sterke achteruitgang gedurende de afgelopen eeuw moeten worden gezocht in normalisatie en kanalisatie van beken en rivieren, waardoor de dynamiek en bijbehorende gradiëntrijke overgangen bijna geheel zijn verdwenen. De dynamiek verdwijnt uit de landhabitats en laagdynamische voortplantingswateren, waardoor deze respectievelijk verruigen en dichtgroeien en verlanden. Ook is veel geschikte landhabitat, in de vorm van rivierduinen, bebouwd of door wegen en bruggen doorsneden.

Frequent voorkomende hoogwaters hebben in het rivierengebied mogelijk gezorgd voor het verdwijnen van buitendijks overwinterende populaties (Creemers 1996, Creemers & Crombaghs 1995, Crombaghs & Creemers 2001, Lenders 1994).

Verkeerd uitgevoerd beheer blijkt nogal eens de oorzaak voor het wegvagen van populaties. In sterk verlande situaties kan de soort verdwijnen wanneer er wordt geschoond tot op de minerale bodem. In geschoonde vennen treedt een versnelde verzuring op of kan de knoflookpad zich niet meer succesvol voortplanten door de relatieve verarming in de pionierfase. Wanneer de bodem te veel wordt uitgediept, bevordert het schonen ook de vestiging van vissen.

Recente ontwikkeling

Nog steeds verdwijnen er vrijwel jaarlijks vindplaatsen van de knoflookpad. De trend in verspreiding blijft negatief. De trend wat betreft aantallen binnen de amfibieënmonitoring (1997-2007) is onzeker en daarom is er geen grafiek van de monitoringresultaten opgenomen. De soort wordt maar op circa tien plaatsen gevolgd, waardoor nu nog geen betrouwbare trend kan worden opgemerkt.

Recent zijn er meerdere populaties verdwenen of in de gevarenzone beland. Zo stierf de knoflookpad onlangs uit in het Rauwven als gevolg van de hoge aantallen uitheemse Amerikaanse zonnebaarzen (Bosman 2005). In de Meinweg komt de soort nog maar in zeer klein aantal voor en staat de soort op de rand van uitsterven (Lenders 2005b, Van Hoof et al. 2005). Ondanks lokale successen blijft de toestand van de knoflookpad zeer zorgwekkend.

Bron

Auteur(s)

Eijk, J. van, Crombaghs, B., Creemers, R.C.M.

Publicatie

  • Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.