Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosknikspriet Microdon analis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Syrphidae [familie]
Microdon [genus] (5/4)
analis [soort]

Beide seksen zijn nabij dode boomstronken te vinden waar mieren in nestelen, meestal op zonnige plaatsen. Er is een waarneming van mannetjes die bloemen van blauwe bosbes bezochten (pers. obs. L.-J. van der Ent); dit zou de bewering dat Microdon-soorten geen bloemen bezoeken ontkrachten.

Mannetjes bewaken territoria: ze zitten op stengels en takjes in de buurt van een mierennest en maken zo nu en dan korte vluchten, waarbij ze ook zweefgedrag vertonen op maximaal twee meter hoogte. Vrouwtjes vliegen laag en langzaam tussen de vegetatie. Ze rusten af en toe op de grond of op planten. Voor de eileg vliegen ze langzaam en regelmatig rustend op een mierennest af. Bij confrontaties met mieren vliegt het vrouwtje weg, hoewel er ook berichten zijn dat de vliegen door de mieren worden genegeerd (Termaat 1999). De eitjes worden gelegd in spleten in het hout waarin mieren nestelen (Van Eck 2003).

De larven ontwikkelen zich in mierennesten, meestal onder schors of in dood hout, zowel van loof- als naaldbomen. Ze zijn gevonden in nesten van de wegmier en verschillende soorten van het mierengenus Formica: F. exsecta, F. fusca, F. lemani, F. rufa en F. sanguinea (van Aartsen 1971, Barr 1995, Donisthorpe 1927, Rotheray 1993, Wasmann 1909). Uit Nederland zijn waarnemingen bekend van de volwassen vliegen in de buurt van diverse nesten van de bloedrode roofmier Formica sanguinea in Noord-Brabant (van Eck 2003, pers. obs. M. Reemer) en bij nesten van de glanzende houtmier Lasius fuliginosus in het Gooi (pers. obs. J.C. van der Eijk). De verpopping vindt plaats op een beschutte plaats net buiten het mierennest, meestal onder de schors van dezelfde stronk of stam.

Bron

Auteur(s)

Reemer, M.

Publicatie