Overslaan en naar de inhoud gaan

Vetplantgitje Cheilosia semifasciata

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Syrphidae [familie]
Cheilosia [genus] (45/40)

Mannetjes zweven op een hoogte van enkele decimeters tot circa anderhalve meter op zonnige plaatsen in beboste omgeving, zoals boven bospaden en langs bosranden. Vrouwtjes leiden een meer verborgen bestaan: ze worden meestal gezien op de voedselplanten van de larven of zonnend op bladeren in de buurt. De plaats waar de mannetjes zweven kan ver verwijderd zijn van de voedselplanten van de larven.

De larven mineren in de bladeren van hemelsleutel (en cultivars daarvan) en in de niet-inheemse, maar veel aangeplante vetplant rotsnavelkruid (Rotheray 1988c). Ze hebben een voorkeur voor planten die in halfschaduw staan. In hemelsleutel worden 1-20 larven per plant gevonden. De larven mineren meerdere bladeren en per blad kunnen tot drie larven voorkomen. De larve mineert niet in de stengels, maar kruipt langs de buitenkant van blad tot blad en dringt binnen via zelfgeknaagde gaatjes (met een diameter van 2-5 mm, afhankelijk van de grootte van de larve) aan de onderkant (hemelsleutel) of zijkant (rotsnavelkruid) van het blad. In 30-45 minuten eet de larve zich in het nieuwe blad naar binnen. Gemineerde bladeren zien er vlekkerig uit, maar in het najaar zijn nieuwe bladeren gegroeid en is de schade nauwelijks nog te zien. De larvale ontwikkeling duurt drie à vier weken. Cheilosia semifasciata overwintert in het popstadium in de strooisellaag (pers. obs. M. Reemer, J. van Steenis, Rotheray 1988c).

Bron

Auteur(s)

Reemer, M.

Publicatie