Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Snorzweefvlieg Episyrphus balteatus

Foto: Martien van den Heuvel

Indeling

Syrphidae [familie]
Episyrphus [genus] (1/1)
balteatus [soort]

Mannetjes vertonen zweefgedrag op zowel zonnige als beschaduwde plekken, op hoogten variërend van een halve meter tot in de boomkruinen. Beide seksen bezoeken bloemen zonder duidelijke voorkeur en beide vertonen sterk migratiegedrag (Gatter & Schmid 1990). Migrerende exemplaren kunnen met duizenden tegelijk langs kusten verschijnen (Kalkman 1999, Miles 1998, Speight 1996). Dat het niet altijd goed afloopt blijkt uit vondsten van honderden dode exemplaren langs de vloedlijn op het strand (Zonneveld 1992). Ook in het binnenland kunnen grote aantallen voorkomen: op treinstation Ede-Wageningen werden eens meer dan 10.000 exemplaren aangetroffen onder een schuine glazen overkapping (pers. obs. W. van Steenis). De mannetjes sterven voor de winter, maar sommige vrouwtjes overwinteren. Over de overwinteringsplaatsen is nog weinig bekend (Wolff 1996a).

Afhankelijk van temperatuur en voedselbeschikbaarheid komen de eieren na 2-11 dagen uit, duurt de larvale ontwikkeling 1-3 weken en duurt de popfase 1-4 weken. De larven voeden zich met bladluizen op uiteenlopende kruiden, struiken en bomen (Rojo et al. 2003). Zij kunnen lucht inslikken en zo overstroming overleven (Láska 1999, Schneider 1968). Larven en poppen doorstaan de Midden- en Noord-Europese winters niet (Dušek & Láska 1974a). De pop zit doorgaans vastgekleefd aan een plantenblad of -stengel.

De larven worden ingezet bij biologische bestrijding van bladluizen.

Bron

Auteur(s)

Reemer, M.

Publicatie

  • 2009. De Nederlandse zweefvliegen (Diptera: Syrphidae)8: 1-442. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey - Nederland.