Overslaan en naar de inhoud gaan

Brede geelgerande waterroofkever Dytiscus latissimus

Foto: Bram Koese

Indeling

Dytiscinae [subfamilie]
Dytiscus [genus] (7/7)
latissimus [soort]

Met een lengte van 36 tot 44 mm is Dytiscus latissimus is de grootste Nederlandse waterroofkever (Van Nieukerken 1992). Kenmerkend voor de soort zijn de opvallend sterk verbrede dekschilden, die bij het mannetje glad zijn, bij het vrouwtje bijna altijd gegroefd. Verwisseling met een van de andere zes soorten geelgerande waterroofkevers van het geslacht Dytiscus of de tuimelaar Cybister lateralimarginalis (Degeer, 1774) is voor leken goed mogelijk, voor de deskundige nauwelijks. Het donkergroen uitstekende deel van de dekschilden buiten de gele zijrand (zie foto kaft) maakt de soort onmiskenbaar. De volwassen kever is met de gangbare determinatiesleutels (Schaeflein 1971, Van Nieukerken 1992, Nilsson & Holmen 1995) eenvoudig te determineren.

De larven van Dytiscus latissimus vallen op door hun bijzondere grootte. Larven van het genus Dytiscus zijn eenvoudig te onderscheiden van die van Cybister, bij Dytiscus is de voorrand van de frontoclypeus (de “kop”) afgerond, bij Cybister is deze diep ingesneden aan weerszijden van het midden en derhalve min of meer drietoppig. Binnen het geslacht Dytiscus vertoont de larve van D. latissimus de meeste overeenkomst met D. semisulcatus O.F. Müller 1776. Bij beide soorten is de breedte van de hals in alle stadia ongeveer 0,7 x de breedte van de kop, bij alle andere soorten is deze halsbreedte minder dan 0,6 x de breedte van de kop. Bij D. latissimus en D. semisulcatus is de kop (inclusief hals) breder dan lang en min of meer rechthoekig, bij de overige soorten is de kop (inclusief hals) langer dan de kopbreedte, bovendien is de kop naar voren duidelijk verbreed. Dytiscus latissimus heeft in alle stadia een langere en bredere kop dan D. semisulcatus. De urogomphi (staartdraden) zijn bij D. latissimus ongeveer de helft van de lengte van het achtste abdominale segment in alle stadia, bij D. semisulcatus neemt de relatieve lengte van de urogomphiten opzichte van het achtste abdominale segment af van circa 1 in het eerste stadium naar 0,6 in het derde stadium. Larven van Dytiscus kunnen het beste gedetermineerd worden met behulp van Dettner (1997). De tabel van Klausnitzer (1991) voor het eerste en derde larven stadium is onvolledig en niet echt betrouwbaar, maar moet wel als aanvulling gebruikt worden bij Dettner (1997; verwijzing naar figuren). Deze tabel is vrijwel volledig gebaseerd op het werk van Blunck (1923 a, b) alsmede Blunck & Klynstra (1929).

Bron

Auteur(s)

Koese, B.