Overslaan en naar de inhoud gaan

Brede geelgerande waterroofkever Dytiscus latissimus

Foto: Bram Koese

Indeling

Dytiscinae [subfamilie]
Dytiscus [genus] (7/7)
latissimus [soort]

De levenscyclus van Dytiscus latissimus is typisch voor holometabole insecten. Dit zijn de insecten met een volledige gedaantewisseling. Het eistadium wordt gevolgd door drie larvale stadia, een popstadium en tenslotte het adulte stadium of imago: de volwassen kever. De levenscyclus is vrij gedetailleerd bekend door studies van Blunck (1923a) en Blunck & Klynstra (1929). Bij D. latissimus worden alle stadia in het water doorgebracht met uitzondering van het popstadium dat terrestrisch is. De eieren worden afgezet in het voorjaar in de periode midden maart tot in mei. De eieren werden in aquaria op het substraat afgezet, maar worden in het vrije veld waarschijnlijk in bladeren en stengels van waterplanten afgezet met behulp van de legboor, zoals bij andere Dytiscus-soorten (Blunck 1923b). De eieren komen na enkele weken uit, waarna de drie larvale stadia zich ontwikkelen in de periode midden april tot midden juli, in Nederland waarschijnlijk vooral in mei en juni, zoals bij Dytiscus marginalis. Voor de verpopping migreren de larven naar het land waar ze in een ondiep holletje, waarschijnlijk meestal niet ver verwijderd van de oever, verpoppen. De totale duur van het popstadium bedraagt twee tot drie weken. De paring vindt plaats in de herfst, wat goed te zien is aan het laatste segment van het abdomen dat bij de vrouwtjes na de paring tijdelijk bedekt is met een witte substantie. De overwintering vindt plaats in diep water, meest wordt een diepte van minstens één meter vermeld, waarbij de dieren niet zelden actief zijn waargenomen zwemmend onder het ijs. Mogelijk volstaat in Nederland een geringere diepte van de overwinteringsplaats dankzij de gematigde wintertemperaturen (zeeklimaat). De volwassen kevers kunnen ouder worden dan een jaar, vaak wordt twee of drie jaar genoemd. Het betreft dan dieren die in gevangenschap werden gehouden, waarschijnlijk is de levensduur in de veldsituatie geringer. Volwassen kevers kunnen goed vliegen en worden door kunstmatige lichtbronnen aangetrokken (Hendrich & Balke 2000). Het voedsel van de volwassen kever bestaat uit aquatische insecten als waterwantsen (Blunck 1923), in het water liggend aas en zieke vis, die tijdens de nachtelijk uren, de periode van de grootste activiteit, worden gezocht. De grootschalige consumptie van jonge, gezonde vis en de schade voor de visserij in visvijvers berust op een fabeltje. Het voedsel van de larve bestaat bij voorkeur uit larven en poppen van kokerjuffers (Trichoptera), daarnaast worden ook wel waterpissebedden (Isopoda) en haftenlarven (Ephemeroptera) geconsumeerd (Blunck 1923a, Johansson & Nilsson 1992). De kokersbouwende larven van kokerjuffers van het genus Limnephilus werden tijdens voedselkeuze-experimenten door Johansson & Nilsson (1992) door de eerste en tweede stadium larf van Dytiscus aangevallen bij de thorax wanneer de larven actief rondliepen (dus met kop en thorax buiten de koker), de derde stadium larf van Dytiscus viel de kokerjuffer door de koker aan.

Bron

Auteur(s)

Koese, B.