Overslaan en naar de inhoud gaan

Vierentwintigstippelig lieveheersbeestje Subcoccinella vigintiquatuorpunctata

Foto: Piet J. Ashouwer

Indeling

Epilachninae [subfamilie]
Subcoccinella [genus] (1/1)

Herkenning 3-4 mm. Makkelijk herkenbaar aan de oranjerode kleur van de kop, halsschild, en dekschilden met op de dekschilden meestal een groot aantal (24) soms deels versmolten zwarte stippen. Samen met het heggeranklieveheersbeestje en het ongevleugeld lieveheersbeestje een van de weinige grotere lieveheersbeestjes met behaarde dekschilden (haren zijn op foto’s niet altijd goed te zien). Kan verward worden met het heggenranklieveheersbeestje maar heeft in tegenstelling tot die soort vaak een zwarte vlek op het halsschild. De zwarte stippen op de dekschilden zijn soms grotendeels of geheel afwezig en dan kan de soort verward worden met het ongevleugeld lieveheerbeestje, dat echter een zwarte in plaats van oranjerode kop heeft en meer okerkleurige dekschilden.

Voorkomen Wijd verspreid maar schaars en bekend van de duinen tussen Den Haag en Den Helder en de binnenlandse zandgronden.

Biotoop Ruigere graslanden en bosranden. In tegenstelling tot de meeste andere lieveheersbeestjes voedt ze zich niet met bladluizen maar is ze een planteneter die leeft van diverse grassen en kruiden met relatief veel waarnemingen van koekoeksbloem.

Activiteitsperiode adult Bijna alle waarnemingen komen uit de periode april tot oktober, het meest algemeen in de maanden april tot juni.

Overwintering Laag in de kruidlaag.

Voedsel Diverse planten, onder andere koekoeksbloem.