Overslaan en naar de inhoud gaan

Oost-Aziatische boktor Anoplophora chinensis

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Lamiinae [subfamilie]
Anoplophora [genus] (2/0)
chinensis [soort]

Anoplophora chinensis is een polyfage soort die veel soorten met houtachtige planten op het menu heeft staan. De soort leeft in het hout van levende bomen en struiken. Er zijn meer dan 100 soorten bekend uit 26 families en meer dan 40 genera. In China zijn de primaire waardplanten Citrus spp., Poncirus trifoliata, Malus pumila (appel), Casuarina equisetifolia (Australian pine), Populus spp. (populieren) en Salix spp. (wilgen).

In Italië komt deze boktorsoort voor in een gebied ter grootte van circa honderd vierkante kilometer. In dit gebied zijn tot nu toe bomen en struiken uit 21 geslachten aangetast waaronder appel, peer, beuk, eik, plataan, rhododendron, dwergmispel, laurier- en rozenstruiken (Maspero et al., 2005).

Ook Lingefalter & Hoebeke (2002), Hérard et al. (2006) en van der Gaag et al. (2010) presenteren lijsten met waardplantensoorten voor Anoplophora chinensis.

Het lijkt niet uitgesloten dat deze boktorsoort (vrijwel) alle loofbomen en –struiken kan aantasten maar het lijkt erop dat zowel A. chinensis als A. glabripennis geen naaldboomsoorten op het menu hebben staan.

De ontwikkelingsduur van de soort omvat één jaar, maar afhankelijk van de klimaat- en voedingsomstandigheden, kan dit ook twee jaar zijn. Op basis van gegevens uit Engeland concluderen van der Gaag et al. (2010) dat daar de ontwikkelingsduur waarschijnlijk drie jaar is. Ook in Nederland zou de soort een cyclus van drie jaar hebben.

De adulten komen voor tussen mei en augustus. Een week na de copulatie worden eieren gelegd. Verschillende bronnen geven verschillende aantallen eieren per vrouwtje op, van tientallen tot meer dan 100 (DIASIE). De eileg vindt plaats gedurende de hele periode dat het vrouwtje leeft. Deze worden elk afzonderlijk afgezet op de schors van de stam, in een incisie die met de bovenkaken is aangebracht (een zogenoemde ‘ovipostion slit’), net boven de bodem tot circa 60 cm hoogte. De larven maken ovale vraatgangen in de stam en takken, net onder de schors en dringen in een later stadium dieper het hout van stam en wortelpartij in. De verpopping vindt plaats in het hout, vaak in het hoogste deel van het gangenstelsel. Overwintering vindt plaats in het larve- en/of popstadium. De jonge kevers verlaten de popholte via ronde uitvlieggaten die één à twee centimeter in doorsnede zijn. Meer informatie is ondermeer te vinden in Scholte et al. (2007) en in de literatuur die genoemd is op de EPPO Data Sheet, en de website van DAISIE.

Bron

Auteur(s)

Heijerman, Th.