Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwartkopbaardloper Leistus terminatus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Leistus [genus] (5/5)
terminatus [soort]

Biotopen

Volgens Lindroth (1985) de meest hygrofiele Leistus-soort en vaak samen met L. rufomarginatus. Hij is bij ons vrij eurytoop en komt zowel op zand als klei voor. Vooral aan schaduwrijke oevers van poeltjes in vochtige bossen. Een soort van zeer vochtige bodem, zoals natte bladeren, hoogveen, en veenmosbulten (Lindroth 1985, Marggi 1992). Ook op de Britse Eilanden is de soort eurytoop, maar mijdt ook daar droge plaatsen (Luff 1998).

Vangpotten. Groep: EU(E) (230 series, 931 individuen). In zeer uiteenlopende terreintypen, met de hoogste dichtheden in de natte bossen [21, 22]; niet in de Zuid-Limburgse eiken-haagbeukenbossen, kalkgraslanden [20, 25] en op zeer open oevers [32, 33]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,76 en SIM = 0,87). Bodem en Vocht: geen voorkeur. Begeleider: Loricera pilicornis 70,4% (23,8%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.