Overslaan en naar de inhoud gaan

Roestbaardloper Leistus ferrugineus

Foto: Marijke Kanters

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Leistus [genus] (5/5)

Biotopen

Een tamelijk eurytope soort. Minder hygrofiel dan de andere Leistus-soorten (Lindroth 1974, 1985) en over het algemeen in (relatief) open terreinen. Volgens Rudolph (1976) in Westfalen zowel in het laag- als het bergland. Rudolph meldde de zeer uiteenlopende terreinen waarin de soort in Duitsland gevangen is, namelijk het eiken-beukenbos (Rehage 1972), open Calluna-heiden en naaldbossen (Heitjohann 1974). Ook in Zwitserland een eurytope soort, met een hoogteverspreiding van het laagland tot subalpien, ca. 1500 m (Marggi 1992). Het eurytope karakter komt goed overeen met de biotoopkeuze die uit onze vangpotgegevens blijkt. In Engeland eveneens eurytoop, zowel in bossen als in grasland, maar met een voorkeur voor terreinen aan de kust (Luff et al. 1989, Luff 1998), die echter minder uitgesproken is in Nederland (Turin 1991). Vaak op plaatsen met een vrij dichte vegetatie van grassen of in droge tot matig vochtige bossen. De voorkeur voor natte broekbossen die blijkt uit de compilatie van Thiele (1977), laat zien hoe misleidend dit soort overzichten kan zijn (vergelijk Ook Turin et al. 1991). Veelal solitair aangetroffen (Lindroth 1985).

Vangpotten. Groep: EU(B) (317 series, 2.049 individuen). In alle categorieën goed vertegenwoordigd, maar niet in zeer open terreinen en polders [1-5, 27-33]. Vooral hoge scores in duinbossen, duinstruweel [9-10], cultuurlanden en jonge naaldbosaanplant [12-15]. Eurytopie: 8 (PRES = 0,79 en SIM = 0,87). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 2. Begeleider: wederzijds >50%: Syntomus truncatellus 52,5% (55%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.