Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosbaardloper Leistus rufomarginatus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Leistus [genus] (5/5)

Biotopen

Eurytope bossoort, voornamelijk voorkomend in loofbossen met een humeuze bodem; tamelijk tolerant met betrekking tot bodemvochtigheid. Zelden in naaldbossen (Heitjohann 1974). Volgens Gries et al. (1973) een typische soort van zuidhellingen, maar bij ons ook gewoon in volkomen vlak terrein. In Zweden vooral in lichte beukenbossen, maar ook in donkerder bostypen (Lindroth 1985, Marggi 1992). Hij leeft, zoals de andere Leistus-soorten, vooral in de strooisel- en moslaag en is minder hygrofiel dan de meeste andere soorten van het genus. Over de hoogteverspreiding is nog weinig bekend. Magistretti (1965) noemde de soort voor Italië ‘montaan-silvicol’.

Vangpotten. Groep: D3 (206 series, 3.451 individuen). De hoogste dichtheden in bossen [15-23]. Naast hoge presenties in loofbossen [18-21] staat een hoge abundantie in zeer jong naaldbos [15]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,55 en SIM = 0,81). Bodem: geen voorkeur. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Pterostichus oblongopunctatus 91,8% (49,7%), Notiophilus biguttatus 87,4% (40%), Nebria brevicollis 77,8% (24%); wederzijds > 50%: Calathus rotundicollis 74,4% (66,4%), Notiophilus rufipes 65,2% (65,5%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.