Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosbaardloper Leistus rufomarginatus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Leistus [genus] (5/5)

Levenswijze

Nachtactief. Mannetjes met uitgestoken genitaliën (hetgeen duidt op voortplantingsactiviteit) werden in Drenthe gevonden van oktober tot december (Pb). De voortplanting vindt plaats in de herfst en de larven, die vanaf oktober verschijnen, blijven actief aan het bodemoppervlak gedurende de overwintering (Den Boer 1977). De ‘verse’ dieren verschijnen in juni en overzomeren vervolgens vaak in aantal in dood hout. Ook de volwassen dieren zijn vaak na de reproductie nog tot zeer laat in het jaar actief (oktober-november/december), maar slechts een relatief klein deel van de adulten overleeft volgens Lindroth (1985) de eerstvolgende winter. Het voedsel bestaat uit springstaarten (Collembola) en mijten, waarop de monddelen sterk zijn aangepast (Bauer 1985). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: volgens de meeste bronnen macropteer, hetgeen door de metingen van Desender (1989a) bevestigd werd; de vleugels zijn wel aan de kleine kant. Luff (1998) verwijst naar een vliegwaarneming van Jobe (1990), en Desender (1998) vermeldde dat de vliegspieren een zekere seizoensgebonden variatie te zien geven. Het is mogelijk dat dit een overblijfsel is van een vroegere (of een ander deel van het areaal -betreffende), tijdelijke dispersieperiode. Bangsholt (1983) vermeldde hem als dimorf maar gaf voor Denemarken alleen gevleugelde exemplaren op. Ook in Zwitserland is hij -gevleugeld (Marggi 1992).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.