Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosbaardloper Leistus rufomarginatus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Leistus [genus] (5/5)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieCarabidae. In: Catalogus van de Nederlandse kevers (Coleoptera)
ExpertTurin, H.

Areaal

Oorspronkelijk Kaukasisch-Pontische soort (Horion 1972). De soort heeft zijn verspreidingsgebied al vanaf het midden van de vorige eeuw vanuit Zuidoost-Europa in westelijke richting uitgebreid. In onze streken vanaf het eind van de 19e eeuw. Areaalkarakteristiek: 9, Nederland: submarginaal.

Verspreiding in Nederland

In Nederland min of meer beperkt tot beboste gebieden. De uitbreiding in westelijke richting is zeer snel gegaan (Horion 1939, 1941, 1972). In Noordwest-Duitsland in het eind van de vorige eeuw voor het eerst waargenomen. De soort is in Westfalen pas vanaf 1917 gevangen (Rudolph 1976) en breidt zich in zuidelijke richting uit. Tot op heden (nog) niet in Zuidwest-Duitsland, terwijl van Zwitserland slechts één vangst bekend is (Marggi 1992). De Nederlandse vangsten dateren in hoofdzaak van na 1900, maar uit het midden van het land dateren al enkele waarnemingen uit het eind van de vorige eeuw, hetgeen voor ons land wellicht het oorspronkelijke verbreidingscentrum aangeeft. Mogelijk is de soort gearriveerd met aanspoelsel via de Rijn, omdat langs het rivierengebied vanaf Arnhem een reeks van oude vangsten ligt, die tot aan de westkust reikt. In België dateren de waarnemingen in het westen en het zuiden van na 1950, de oudste waarnemingen vinden we daar in het noordoosten (Desender 1986). Ook in Noord-Frankrijk dateren de vondsten van na 1940. Op de Britse Eilanden vanaf ca. 1940 (Crowson 1942, Hammond 1947, Luff 1982), met een nog steeds voortdurende gestage uitbreiding in westelijke richting; thans in geheel Engeland, noordelijk tot Northumberland en Wales (Lindroth 1974, Luff 1998); meest talrijk in de zuidelijke gebieden. Rushton et al. (1996) vergeleken de resultaten van een simulatiemodel (in verschillende populatiedynamische varianten) met de werkelijke snelheid van de uitbreiding in Engeland van 1960 tot 1990. Zij moesten concluderen dat het model de snelheid van de uitbreiding aanmerkelijk onderschatte, met als meest waarschijnlijke verklaring dat de afmeting van de ‘startpopulatie’ als uitgangsaanname voor het model te laag was ingeschat. In Zuid-Zweden heeft de soort zich na een enkele melding in het begin van de vorige eeuw, langzaam maar gestaag uitgebreid (Horion 1972, Lindroth 1985).

Status: recente immigrant in Noordwest-Europa, zich nog steeds uitbreidend. In Nederland en het omliggend gebied thans een vrij gewone soort.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.