Overslaan en naar de inhoud gaan

Groene zandloopkever Cicindela campestris

Foto: Sander Pieterse

Indeling

Cicindelinae [subfamilie]
Cicindela [genus] (4/4)
campestris [soort]

C. campestris is de meest eurytope Cicindela-soort. Behalve in met heide begroeide hoogvenen, natte (Erica) en droge heiden (Calluna) met een min of meer open mozaïekvegetatie, wordt hij ook aangetroffen op zonnige paden in lichte bossen op zand- en veengronden (Lindroth 1974, 1985), soms ook op zeer open, onbegroeide, zwarte turfbodem. Bij ons niet op kleigrond, stuifzanden en duinen, maar wel in vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens). In de successie is C. campestris in het stuifzandheidecomplex in zekere zin de opvolger van Cicindela hybrida. Op de Britse Eilanden vooral op zandbodem en in de veengebieden (‘moors’) (Lindroth 1974, Luff 1998). In België ook op stenige bodem, met een voorkeur voor zure grond (Desender 1986). Soms op tamelijk vochtige plaatsen, al staat hij in de literatuur als overwegend xerofiel bekend. Volgens Lindroth (1985) minder thermofiel dan de andere Cicindela-soorten, hoewel Remmert (1960) de hoge voorkeurstemperatuur aangaf van 30-40°c overdag. In de bergachtige gebieden van Midden- en Zuid-Europa, overal voorkomend vanaf het laagland tot hoogalpien, tot boven 2500 m, eveneens op zand- en veenbodem in open terreintypen en op bospaden (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: A1 (73 series, 154 individuen). De hoogste dichtheden in de heiden [1-6] en dan nog het meest in heidevegetaties die niet overgroeid zijn met grassen. Ook in enkele graslandtypen [11 en 26] en naaldbosaanplant [15]. Eurytopie: 5 (PRES = 0,30 en SIM = 0,72). Bodem: voorkeur voor veen. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: Poecilus versicolor 94,9% (14,4%), Amara lunicollis 91% (12,7%), Calathus melanocephalus 91% (8%), Poecilus lepidus 89,7% (22,2%), Notiophilus aquaticus 85,9% (16,6%), Bradycellus harpalinus 82,1% (17,1%), Calathus erratus 82,1% (10,2%), Pterostichus diligens 75,6% (13,9%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.