Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Groene zandloopkever Cicindela campestris

Foto: Sander Pieterse

Indeling

Cicindelinae [subfamilie]
Cicindela [genus] (4/4)
campestris [soort]

De biologie is in detail beschreven door Faasch (1968). De dieren zijn het actiefst in het voorjaar gedurende de maand mei wanneer de voortplanting plaatsvindt, maar de adulten kunnen al worden waargenomen op warme dagen in maart, vooral op zonnige, beschutte plaatsen zoals aan bosranden. De mannetjes vertonen geen baltsgedrag, maar proberen direct tot de paring over te gaan. Als het vrouwtje onwillig is, kromt het haar achterlijf en werpt zich tenslotte op de rug om het mannetje zo af te schudden. Faasch observeerde ook copulaties tussen verschillende Cicindela-soorten (C. campestris met C. hybrida wederzijds en ook C. campestris met C. sylvatica). De ovipositie volgt in de regel direct na de copulatie, soms nog met het mannetje op de rug. De eieren worden op ongeveer 1 cm onder de oppervlakte in het zand gelegd en komen na ca. 30 dagen uit (bij ± 20°c). Burmeister (1939) gaf hiervoor ca. 14 dagen aan, en Shelford (1910) gaf voor het Engelse hoogland een periode van 4-5 weken. De larve kent drie stadia: ongeveer 30 dagen na het uitkomen volgt het tweede larvale stadium dat tenminste twee maanden duurt. De meeste larven overwinteren in het tweede stadium, een minderheid in het derde. De verpopping kan al in mei beginnen, maar het merendeel van de individuen verpopt in de zomer. Voor een nauwkeurige beschrijving van de verpopping en het uitkomen van de pop, zie Faasch (1968). De ontwikkeling tot volwassen dier duurt dus ruim één jaar. De volwassen dieren overwinteren en nemen in het voorjaar daarop aan de reproductie deel; ze zijn in het najaar praktisch inactief. De larve jaagt vanuit een door hem zelf gegraven gang, waarvan de directe omgeving vrij van storende objecten wordt gehouden. De gangen zijn voor de larven van het eerste stadium 15-20 cm diep (diameter ± 0,5 cm), voor die van het 3e stadium tot 40 cm (diameter ± 1 cm). Evenals het imago heeft de larve goede ogen (Friedrichs 1931). Zowel de larven als imago’s zijn zichtjagers. De larven zijn gedurende dag en nacht actief en kennen geen echte rustpauze. ’s Nachts reageren ze nog bij 0,01 Lux op passerende prooien. De volwassen dieren rusten ’s nachts in de vegetatie en zijn overdag actief, met korte rustperioden waarin ze zich dicht tegen de grond drukken en ook op lichte aanrakingen niet reageren. Tijdens het jagen lopen de dieren zoekend rond en reageren op bewegende voorwerpen op een afstand van 20-30 cm Ze herkennen daarbij vooral objecten die een groot contrast vormen met de ondergrond. De imago’s jagen ook in vrij dichte vegetatie, in tegenstelling tot die van de andere Cicindela-soorten (Trautner & Detzel 1994). De larve is evenals de imago’s, aangetroffen op uiteenlopende substraten, van fijn zand en humeuze bosgrond tot pure veenbodem (Trautner & Detzel 1994). Het voedsel van de larven bestaat uit kleine arthropoden, met name mieren. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer met volledig ontwikkelde vliegspieren; hij kan uitstekend lopen en vliegen en doet dit bij voldoende warmte zeer snel. Vliegwaarnemingen in Drenthe: april 2, mei 10, juni 4, juli 2, augustus 2 (TvH).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie