Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Roodbruine graver Clivina fossor

Foto: Dick Belgers

Indeling

Clivina [genus]
(2 soorten in totaal / 2 gevestigd)
fossor [soort] (1/1)

Indeling

Clivina [genus]
(2 soorten in totaal / 2 gevestigd)
fossor [soort] (1/1)

Nachtactief. Evenals C. collaris heeft deze soort een gravende levenswijze die zich in ondergrondse gangen, krimpscheuren en spleten tussen stenen en puin afspeelt. Volgens Scherney (1962) jaagt hij hier op kleine, in de bodem levende larven. Bij een experiment waarbij de prooidieren (larven en poppen van een glanskeversoort, Meligethes, familie Nitidulidae) tot een diepte van ongeveer 10 cm in de bodem aanwezig waren, werd tot 65% van de prooidieren door C. fossor gevonden en geconsumeerd. Voortplanting in het voorjaar, met slechts geringe (oppervlakte)activiteit van de jonge adulten in het najaar (Lindroth 1985). Overwintering als imago. De larven zijn blind en leven uitsluitend onder de grond. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: de soort staat voor sommige streken als macropteer bekend (Lindroth 1945, 1949), maar is in onze streken dimorf of wellicht polymorf (Den Boer 1977, Den Boer et al. 1980, Desender 1989a, Haeck 1971). Hij heeft een goed vliegvermogen; wordt vaak in aanspoelsel aangetroffen (Lindroth 1985, Palmén 1944). Vliegwaarnemingen zijn bekend, o.a. van Drenthe: april 3, mei 44 en juni 12 waarnemingen (TVH). Verder zijn er waarnemingen uit lichtvallen van o.a. Arnhem (KA). De combinatie van functionele vleugels en volledig ontwikkelde vliegspieren, werd op slechts zeer tijdelijke en instabiele terreintypen gevonden, zoals een kwelder (Desender 1989a). In de tijd dat de eieren bij de vrouwtjes rijpen, treedt vliegspierautolyse op. Uit soortgelijke vleugelmetingen in Drenthe (Den Boer et al. 1980) bleek dat in Noord-Nederland zowel een lager aantal brachyptere dieren gevonden werd, als relatief beter ontwikkelde vleugels bij de macroptere dieren. Samen met de door Lindroth (1945) aangegeven macropterie voor Fennoscandië, kan dit duiden op een recente immigratie in noordelijke gebieden.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.