Overslaan en naar de inhoud gaan

Harige heidenachtloper Cymindis macularis

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Cymindis [genus] (4/4)
macularis [soort]

Xerofiel. De soort komt voor op zandbodem met een ijle, open vegetatie, in het noorden vooral aan de kust tussen zandhaver (Leymus arenarius), helm (Ammophila arenaria) en alsem (Artemisia) (Lindroth 1986). Bij een grootschalige inventarisatie van het Dwingelderveld (1991) bleek hij een voorkeur te hebben voor net vastgelegd stuifzand, maar daarnaast ook op vochtiger plaatsen (Van Essen 1993). Ook in open naaldbossen onder struikheide (Calluna vulgaris) en kraaiheide (Empetrum nigrum). In Westfalen veelal op zandige Calluna-heiden met een mozaïekvegetatie met grassen (Assmann & Starke 1990). In hoofdzaak beperkt tot het laagland, soms ook op open plaatsen in dennenbossen (Burmeister 1939).

Vangpotten. Groep: B1 (69 series, 712 individuen). De vangsten komen van het droge heidecomplex, met name van vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) [4-6] en van enkele plaatsen in open naaldbosaanplant en eiken-berkenbos [15, 18]. De enkele vangst in vochtig struweel [23] betreft waarschijnlijk een zwerver. Eurytopie: 3 (PRES = 0,18 en SIM = 0,38). Bodem: zand. Vocht: 1. Begeleiders: Calathus erratus 98,6% (11,3%), C. melanocephalus/cinctus 98,6% (8%), Poecilus lepidus 87,5% (20%), Notiophilus aquaticus 83,3% (14,9%), Syntomus foveatus 80,6% (15,8%), Poecilus versicolor 76,4% (10,7%), Amara lunicollis 72,2% (9,3%), Bradycellus ruficollis 72,2% (18,8%), Notiophilus germinyi 72,2% (17,6%) en wederzijds > 50% Amara infima 72,2% (50,5%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.