Overslaan en naar de inhoud gaan

Gele rietklimmer Demetrias atricapillus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Demetrias [genus] (3/3)

Mesofiel. De soort wordt aangetroffen in oud en dood plantenmateriaal in een vegetatie met grassen en zeggen (Carex), waarbij de bodem zowel zandig als kleiig kan zijn, zowel in vrij droog (met name in de duinen) als (echter veel zeldzamer) in nat en moerassig, niet te zwaar beschaduwd terrein (Lindroth 1974, 1986). In het Midden-Europese berggebied min of meer beperkt tot het heuvelland en niet boven de 500 m (Burmeister 1939). Marggi (1992) noemde de soort van met riet (Phragmites australis) begroeide oevers, hooi- en strohopen en zelfs vogelnesten en gaf een voorkeur aan voor lemige grond (zie ook Assmann & Starke 1990).

Vangpotten. Groep: G4 (10 series, 15 individuen). De vangsten komen van uiteenlopende terreintypen, zoals duinen aan de kust [7], dicht bos [20], kalkgrasland [25] en open, oeverachtige terreintypen [31, 33]. Waarschijnlijk is het substraat van groter belang dan andere omgevingsfactoren. Eurytopie: 4 (PRES = 0,15 en SIM = 0,71). Bodem, leem of kalk. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: geen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.