Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwartsprietfluweelloper Chlaenius nigricornis

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Chlaenius [genus] (6/6)

Dagactief bij warm weer. Bij zonnig weer soms op open plekken tussen de vegetatie, voor het overige meestal verborgen onder plantenresten, zoals oude riethopen, of onder stenen. Voortplanting in het voorjaar met overwintering van de adulte dieren. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. De vleugels zijn over het algemeen goed ontwikkeld, maar de vliegspieren zijn lang niet altijd functioneel. Onder het Belgische materiaal werd ook een vrouwtje aangetroffen met rijpe eieren en volledig ontwikkelde vliegspieren (Desender 1989a). Een vliegwaarneming is bekend uit lichtvallen in Hongarije (Kádár & Szél 1995). Zeer vaak in de IJsselmeerpolders aangetroffen en thans nog geregeld subdominant op akkers in Zuidelijk Flevoland (Siepel et al. 1996).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.