Overslaan en naar de inhoud gaan

Geelrandfluweelloper Chlaenius vestitus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Chlaenius [genus] (6/6)
vestitus [soort]

Voornamelijk nachtactief. Overdag vaak aangetroffen in krimpscheuren en onder stenen (Luff 1998). Voortplanting in het voorjaar met een top in juni. De larven ontwikkelen zich in de zomer, maar Barner (1954) vond al ‘verse’ dieren in juni. ‘Verse’ dieren echter doorgaans vanaf augustus. Overwintering als imago aan de voet van bomen en muren. Burmeister (1939) meldde dat de larve ook overdag in de zon actief is aangetroffen. De larven en de poppen werden gevonden in de modder van een beekbedding (Burmeister 1939). De poprust duurt 2 tot 3 weken. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. De vleugels zijn zowel in Westfalen (Assmann & Starke 1990) als in België (Desender 1989a) volledig ontwikkeld. Sommige exemplaren van het onderzochte materiaal in België hadden vliegspierautolyse, waaronder enkele vrouwtjes met rijpe eieren. De meeste dieren waren echter in het bezit van volledig ontwikkelde vliegspieren. Een goede verbreider, waarvan vele vliegwaarnemingen bekend zijn. Lindroth (1945) vermeldde dat de soort ook tijdens het jagen soms vliegt.

 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.