Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone kwelderloper Dicheirotrichus gustavii

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Dicheirotrichus [genus] (3/2)
gustavii [soort]

Halobiont. Een zeer kenmerkende soort van zoutmoerassen, kwelders en schorren, vaak op zachte, modderige bodem net boven de vloedlijn, in een vrij dichte vegetatie van zoutplanten zoals gewoon kweldergras (Puccinellia maritima) en zeeweegbree (Plantago maritima) (Lindroth 1974, 1986). Burmeister (1939) gaf een preferentie voor een zoutconcentratie van 3-5% aan, volgens Heydemann (1968) ligt de ondergrens bij 2%, de oorzaak dat de soort in grote delen van de Oostzee niet voorkomt.

Vangpotten. Groep: H4 (140 series, 62.033 individuen). De vangsten komen alle van typische zoutterreinen aan de kust [31-33] en drooggevallen gronden in de vroege stadia van de polders [27-28]. Eurytopie: 5 (PRES = 0,24 en SIM = 0,74). Bodem: lemig zand. Vocht: 5. Begeleiders: alle wederzijds > 50% Bembidion minimum 78,6% (72,8%), Dyschirius salinus 66,4% (84,5%), Pogonus chalceus 60,7% (86,7%), Bembidion aeneum 57,1% (57,1%) en Amara convexiuscula 53,6% (52,8%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.