Overslaan en naar de inhoud gaan

Gewone kwelderloper Dicheirotrichus gustavii

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Dicheirotrichus [genus] (3/2)
gustavii [soort]

Nachtactief. Overdag leven de dieren ondergronds en onafhankelijk van de getijden, ze worden actief direct aan het begin van de nacht, waarna in de loop van de nacht de activiteit geleidelijk afneemt (Foster 1983). Overdag werd door Foster geen activiteit aan de oppervlakte waargenomen. Bij hoog water gedurende de activiteitsperiode klimmen de dieren zo hoog mogelijk in plantmateriaal en kluiten. De soort is in staat om langere tijd onder water te ‘overtijen’, bij experimenten overleefden enkele dieren tot 32 dagen (Heydeman 1967a). Direct contact met het zoute water wordt voorkomen door een dichte, afstaande beharing. Het gebrek aan zuurstof dat dan ontstaat kan door een intensieve osmoregulatie (Heydemann 1967a) en fysiologische aanpassing later worden hersteld (Evans et al. 1971). De dieren verblijven echter bij voorkeur in krimpscheuren en onderaardse holten, waar een zekere luchtvoorraad beschikbaar is. De voortplanting vindt plaats in de zomer waarbij de eieren niet gelegd worden voor juni (Burmeister 1939). De larven overwinteren, evenals een deel van de adulten. De ovale popkamertjes worden ca. 10-20 cm diep op de hogere delen van het schor in de kleiige bodem gemaakt. ‘Verse’ dieren in de tweede helft van mei en begin juli. Volgens Burmeister (1939) jagen de dieren mogelijk op larven van de kortschildkever Bledius. Horion (1959) vermeldde dat de soort in een enkel geval schade veroorzaakte aan bieten (in de kuststreek). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. Vliegwaarnemingen zijn bekend, o.a. uit lichtvallen in Hongarije (Kádár & Szél 1995). Volgens Burmeister vliegen de dieren vooral op warme zomeravonden, hetgeen bevestigd wordt door een melding van Heijerman (TH) die een massale vlucht waarnam bij Holwerd (Friesland) op een zeer hete dag in augustus 1990. Desender (1989a) stelde echter bij verschillende populaties vast dat de relatieve vleugelontwikkeling beduidend minder is dan die van D. obsoletus en dat in slechts weinig gevallen volledig ontwikkelde vliegspieren werden aangetroffen. De vliegtijd valt direct na het uitkomen van de jonge dieren in de zomer en de vroege herfst. Vliegspierautolyse volgt bij eirijping. Bij een vergelijking van verschillende populaties in een aantal West-Europese kwelders, bleek de genetische diversiteit van de soort groter dan die van Pogonus chalceus, maar de verschillen tussen de populaties kleiner (Desender et al. 1998).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.