Overslaan en naar de inhoud gaan

Tuinschallebijter Carabus nemoralis

Foto: Hans Jonkman

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
nemoralis [soort]

De soort is in hoofdzaak nachtactief; 0-15% dagactiviteit (Thiele & Weber 1968). In Oost-Europa een nachtdier, maar in West- en Zuid-Europa ook vaak overdag actief, hetgeen in verband kon worden gebracht met de voorkeur donker (oostelijke-) of licht (zuidelijke populaties), en de afmetingen van de ogen in verschillende gebieden van Europa (Krumbiegel 1932, Zie Ook Burmeister 1939). Voorjaarsvoortplanter (Den Boer 1977, Lindroth 1985, Marggi 1992). Vooral in bossen zijn de dieren al zeer vroeg actief, vaak vanaf eind maart-begin april. Copulaties vanaf maart tot midden juni. Jonge dieren copuleren soms al in de herfst (Hurka 1973). De rijping van de eieren vindt zeker bij een deel van de vrouwtjes al in de herfst plaats. Ook zijn er waarnemingen van eileggedrag in het najaar (Xambeau 1898). In de regel vindt de ovipositie plaats in de periode april-mei, in noordelijke streken in mei-juni. Gemiddeld worden 30-50 eieren gelegd in verschillende sessies. De larven worden gevonden in de periode april-augustus, L1: april-juni, L2: mei-juli en L3: mei-augustus. Poppen in juli-augustus. De ‘verse’ dieren worden aangetroffen vanaf eind juni tot september, in noordelijke streken soms pas in het voorjaar. Er zijn aanwijzingen dat vroeg uitgekomen dieren een zomerrust houden (Hurka 1973). De volwassen dieren overwinteren in boomstronken en dood hout (in het zuiden van het areaal), of in de grond onder mos of strooisel (in noordelijke gebieden) (Blumenthal 1981). De totale ontwikkelingsduur is ca. 90 dagen in Frankrijk en Italië (Raynaud 1969, Sturani 1962) en ongeveer 3,5 maand in Denemarken (Larsson 1939). De eiontwikkeling beslaat hiervan 13-17 dagen, L1: 10-16 dagen, L2 ca. 20 dagen, L3: ca. 25 dagen (Burmeister 1939). In noordelijke streken in Fennoscandië een tweejarige ontwikkeling (Lindroth 1985). De soort voedt zich met wormen, slakken en plantaardige kost zoals vruchten. Ook de larven zijn rovers. Onder de dekschilden worden vaak mijten aangetroffen van het geslacht Parasitus. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: brachypteer, goede loper.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.