Overslaan en naar de inhoud gaan

Graslandschallebijter Carabus monilis

Foto: Sandra Lamberts

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
monilis [soort]

In hoofdzaak nachtactief. Voortplanting in de herfst. Copulaties zijn waargenomen vanaf juni; bij een kweek van mei tot augustus (Kern 1921). In het veld vindt de ovipositie vooral plaats in juli-september; bij kweken ook vroeger. Hurka (1973) vermeldde de observaties van Petruska en Spicarova (1967) die zagen dat de vrouwtjes als jonge kever de eerste keer in het najaar leggen en nog eens na de overwintering in de periode mei-juni. Er worden 25-50 eieren in verschillende sessies gelegd. Larven vanaf juli. Lehmann (1965) vond in juli-augustus larven van alle stadia. L3: tot oktober. De imago’s zijn volgens Hurka uitsluitend gevonden in de periode april-september. In de ‘normale’ overwinteringsplaatsen, zoals achter schors en aan de voet van bomen, werden ze nog niet aangetroffen. Waarschijnlijk -zitten ze dan zeer diep in de bodem. Een deel van de populatie overwintert een tweede keer. De totale ontwikkeling verloopt als volgt, ei: 11-14 dagen, L1: 2 weken, L2: 11-16 dagen en L3: incl. de overwintering 8 maanden. Sturani (1962) gaf voor Italië de volgende getallen, ei: 11-14 dagen en alle drie larvestadia gezamenlijk 30-40 dagen, dus zonder larvale overwintering. De larve is opgenomen in de tabel van Arndt (1991).

Dispersie: brachypteer, goede loper.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.