Overslaan en naar de inhoud gaan

Gladde schallebijter Carabus glabratus

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
glabratus [soort]

In zuidelijke streken nachtactief; in arctische streken voornamelijk dagactief (Lindroth 1985). Voortplanting in hoofdzaak in de herfst, maar copula’s zijn ook in het voorjaar waargenomen (Hurka 1973). Luff (1998) karakteriseert hem als een zomervoortplanter. Eieren worden gelegd in juli-augustus; over de legselgrootte zijn er slechts summiere gegevens uit een kweek van één vrouwtje dat 15 eieren legde in een periode van 14 dagen. Larven, L1: voornamelijk in juli--augustus, L2: augustus-oktober en L3: augustus tot het volgend voorjaar. ‘Verse’ dieren in juni-juli (Lindroth 1945, Henseler 1938). De activiteitsperiode van de volwassen dieren is kort, van juni tot augustus of september; in oktober zitten de meeste dieren al in hun winterkwartier (Marggi 1992). De ontwikkeling is in noordelijke streken tweejarig met voortplanting in de zomer, overwinterende larven en adulten die in het eerste jaar niet reproduceren (Houston 1981). In Midden-Europa duurt de ontwikkeling van de eieren 8 dagen, L1 en L2: elk ca. 18 dagen, en L3: zonder overwintering ca. 30 dagen. Grüm (1979) vond dat in Polen sommige dieren voor de tweede keer aan de voortplanting deelnamen in de voorzomer (Lindroth 1985). De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: brachypteer, goede loper.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.