Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwzwarte schallebijter Carabus problematicus

Foto: Henk van Woerden

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
problematicus [soort] (1/1)

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
problematicus [soort] (1/1)

Een vrij eurytope soort die in experimenten warmtepreferent bleek te zijn (Thiele 1977). In Scandinavië voornamelijk in heiden en in mindere mate in open naaldbos en hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, op zandgrond (Lindroth 1985). Op de Britse Eilanden in hoge grasvegetaties, heiden en bos (Luff 1998). In Duitsland naar het noorden toe meer en meer op heiden te vinden (Gries et al. 1973). In België meer gevangen in hokken met >20% bos (Desender 1986). In het laagland en de heuvels een exclusieve bossoort. In onze streken voornamelijk in lichte, min of meer droge bossen, bosaanplanten en op heideterreinen (Den Boer 1977). Den Boer (1970a) gaf aan dat de dieren op de heide in Drenthe weliswaar voorkomen, aldaar waarschijnlijk niet reproduceren, maar dat de heidepopulaties steeds ‘gevoed’ worden vanuit nabijgelegen bos. De soort werd niettemin door Den Boer tot op grote afstand (ca. 3 km) van bosgebied op de heide aangetroffen. Neumann (1971b) deed in Duitsland experimenten, waaruit blijkt dat hij zich in de richting van bos beweegt, als de hoek die het donkere silhouet met vlak terrein maakt, groter is dan 15°. Soort van het laagland en bergland tot ca. 2500 m; in Zwitserland tot aan de bergtoppen van de Jura, maar in de Alpen niet zo hoog; in de bergen het meest talrijk in bossen met sparren, in de lagere delen ook in vochtige loofbossen (Marggi 1992). In Zuid-Europa komen verschillende ondersoorten voor, soms geïsoleerd op grote hoogte op alpiene steppen, in de Pyreneeën bijvoorbeeld C. problematicus andorranus.

Vangpotten. Groep: D3 (361 series, 15.886 individuen). De hoogste dichtheden in heiden en vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) [1-6] en een groot aantal bostypen [15-21]. Eurytopie: 7 (PRES = 0,58 en SIM = 0,82). Bodem: geen voorkeur. Vocht: geen voorkeur. Begeleiders: wederzijds >50%: Pterostichus oblongopunctatus 62,5% (61%) en Carabus nemoralis 50,4% (54,7%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.