Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwe schallebijter Carabus intricatus

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
intricatus [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieCarabidae. In: Catalogus van de Nederlandse kevers (Coleoptera)
ExpertTurin, H.

Areaal

Midden-Europa. Noordelijk tot ongeveer de 41e breedtegraad. Naar het oosten vanaf Polen via West-Oekraïne tot de Zwarte Zee in Bulgarije. Niet ten zuiden van de Pyreneeën en de Povlakte, maar op de Balkan zuidelijker tot Noord-Griekenland en Thracië. Areaalkarakteristiek: 9, Nederland: marginaal.

Verspreiding in Nederland

In Nederland slechts gevonden op de Veluwe en in het Rijk van Nijmegen. Daarnaast een enkele vondst van Midden-Limburg (Venlo). De laatste gedateerde waarneming komt van Schaarsbergen (1941) (AVR) (Klynstra 1951), het is niet zeker of deze waarneming betrouwbaar is. Op de Britse Eilanden gedurende lange tijd alleen bekend van het extreme zuidwesten, in Devon en Cornwall (Luff 1998); een recente waarneming is afkomstig van North Somerset. In Groot-Brittannië als bedreigd op de Rode Lijst van Hyman (1992). In Denemarken zeer zeldzaam en plaatselijk op Oost-Jutland en Bornholm (Bangsholt 1983), aldaar echter snel zeldzamer geworden en plaatselijk uitgestorven (Jørum 1989). Linnaeus (1761) kende de soort van het uiterste zuidoosten van Zweden, waar hij in 1942 opnieuw werd gevonden (Lindroth 1985). Thans zowel in Denemarken als in Zweden een sterk bedreigde soort (Jørum 1989). In Westfalen na 1950 slechts vijf waarnemingen (Gries et al. 1973). De soort was in Midden-Europa in de vorige eeuw nog wijd verbreid, in Duitsland tot bij Hamburg (Horion 1954). Horion (1941) noemde hem voor Oostenrijk nog: ‘Vaak de meest gewone Carabus-soort’, maar gaf ook aan dat de soort rond 1930 in Noord-Duitsland al zeldzamer werd. In Baden-Württemberg staat hij op de Rode Lijst (Trautner 1992b, zie ook Baehr 1980). In Zwitserland met name verbreid in de gebieden met droge en warme bossen in Wallis en Tessin (Marggi 1992). In België was hij verbreid in de oostelijke helft van het land, en is na 1950 nog gevonden in het noorden van Vlaanderen bij Kalmthout (laatste vangst in 1980) en op een aantal plaatsen in de Ardennen. Op de Rode Lijst van Vlaanderen staat hij in de categorie ‘met uitsterven bedreigd’ (Desender et al. 1995).

Status: in Nederland al aan het begin van deze eeuw zeer waarschijnlijk uitgestorven. In Denemarken en België/ Luxemburg sterk achteruitgegaan (Desender & Turin 1986, 1989); dit beeld is geheel in overeenstemming met dat uit de overige omliggende landen De achteruitgang in Noordwest-Europa zou volgens Gries et al. (1973) mogelijk te maken hebben met het Atlantischer worden van het klimaat, hetgeen zij illustreren met het temperatuurverloop op drie plaatsen in Duitsland, waar de gemiddelde temperatuur in de periode 1835-1935 gemiddeld 1°c is gedaald. In de warme periode in de jaren dertig volgde echter geen herstel. Jørum (1987) gelooft echter dat vooral het vervangen van loofbossen door naaldbossen en een intensiever bosbeheer, alsmede versnippering van het bosareaal door urbanisatie en wegenaanleg, de belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang van de soort zijn.

bewerkt EC, 12-12-2014
De laatste betrouwbare waarneming uit Nederland komt uit 1906 (Vorst, 2010).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.