Overslaan en naar de inhoud gaan

Kettingschallebijter Carabus granulatus

Foto: Roy Kleukers

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
granulatus [soort]

Een hygrofiele en eurytope soort. Vooral in vochtige tot natte (ook cultuurlijke) graslanden en (graan)akkers (Thiele 1977), rietlanden en langs eutrofe poelen (Jarmer 1973). Eveneens vrij algemeen in vochtige tot natte (loof)bostypen, ook in Midden-Europa (Marggi 1992). Bij voorkeur op kleiachtige bodem. Ontbreekt met name in terreinen zonder enige begroeiing en zeer droge zandige terreinen als Calluna-heiden, duinen en droge, zandige akkers. In België vooral in UTM-hokken beneden de 200 m (Desender 1986). In Noord-Duitsland ook op kapvlakten aangetroffen (Von Broen 1965). Op de Britse Eilanden ook in nat grasland en open bos in de nabijheid van water. Weber (1965) voerde een experiment uit, waarbij bleek dat exemplaren met minimaal vijf sprietleden goed in staat waren zich in een vochtgradiënt te oriënteren, maar bij vier sprietleden niet meer.

Vangpotten. Groep: G2 (131 series, 1.473 individuen). De hoogste dichtheden in vochtige terreinen [1, 11-13, 22-23, 26, 28-30] behalve zeer open oevers. Eurytopie: 7 (PRES = 0,55 en SIM = 0,84). Bodem: geen voorkeur. Vocht: geen voorkeur. Begeleider: Pterostichus strenuus 80,3% (16,9%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.