Overslaan en naar de inhoud gaan

Kettingschallebijter Carabus granulatus

Foto: Roy Kleukers

Indeling

Carabinae [subfamilie]
Carabus [genus] (16/15)
granulatus [soort]

In hoofdzaak nachtactief, met 15-30% dagactiviteit (Thiele 1977). Voortplanting in het voorjaar. Copulatie na het verlaten van de overwinteringsplaats in de periode april-augustus (Oertel 1924). De eirijping vindt pas plaats in het voorjaar in een korte periode (16-18 dagen) (Hurka 1973). Ovipositie voornamelijk in mei-juni (Kern 1921, Larsson 1939). Gemiddeld worden ca. 40 eieren gelegd (Scherney 1957). Larven vanaf mei, L1: mei-juni, L2: mei-augustus, L3: juni-september. Het maximum van de larven ligt in juli-augustus. Poppen en ‘verse’ dieren in de nazomer, van juli-september. De ontwikkelingsduur is 40-55 dagen (Oertel 1924, Sturani 1962, Verhoeff 1921), ei: 6-12 dagen, L1: 8-10 dagen, L2: 8-12 dagen en L3 inclusief zes dagen prepop: 16-21 dagen. De poprust bedraagt ca. 10 dagen. De maximale activiteit van de volwassen dieren vindt plaats in het voorjaar, maar een deel van de jonge dieren is in de herfst nog voor de winterrust al actief en een deel gaat direct in winterrust in de bodem; dit laatste vooral in het veld. In een bosrijke omgeving tijdens de overwintering, vooral bij wintervloeden langs water, vaak in grote groepen bij elkaar, bijvoorbeeld achter schors (Luff 1998, Scherney 1961). C. granulatus kent geen larvale diapauze maar de volwassen dieren hebben een obligate diapauze. Lukasiewicz (1996) stelde vast dat C. granulatus in Polen intensief foerageerde op regenwormen (Lumbricidae) en, indien in het gebied voorhanden, ook op emelten (larven van langpootmuggen, Tipulidae), met name in het voorjaar; kniptorlarven (ritnaalden, Elateridae) werden nauwelijks bejaagd. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: di-(poly)morf. Dieren met geheel ontwikkelde vleugels komen voor, er zijn ook vliegwaarnemingen bekend (Horion 1941, Lindroth 1945). In Duitsland worden de gevleugelde dieren vooral in het laagland gevonden (Horion 1941). In ons gebied hadden de onderzochte exemplaren echter geen volledig ontwikkelde vleugels en geen vliegspieren (Bangsholt 1983, Desender 1989a, Tietze 1963). Goede loper, die zich volgens Heydemann (1957) goed kan bewegen in een dichte vegetatie en ook goed kan klimmen. Scherney (1960) vond een maximale verplaatsing van ca. 120 m per 10 dagen. Het was de eerste Carabus-soort die de nieuwe IJsselmeerpolders koloniseerde. Nog voor het droogmalen van Zuidelijk Flevoland was hij al goed verspreid op de dijken rondom deze polder.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.