Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Lederschallebijter Carabus coriaceus

Foto: Henk van Woerden

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
coriaceus [soort] (1/1)

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
coriaceus [soort] (1/1)

De soort is midden in de reproductieperiode zowel dag- als nachtactief (Riecken & Raths 1996) maar de nachtactiviteit overheerst (zie ook Lindroth 1985, Thiele & Weber 1968). De meeste handvangsten in Nederland zijn gedaan in augustus. Met vangpotten werden de eerste dieren begin augustus gevangen, met een top ca. eind augustus / begin september en een uitloop naar oktober. De handvangsten buiten het najaar betroffen voornamelijk inactieve dieren. Voortplanting soms in het voorjaar, maar hoofdzakelijk in het najaar (Kern 1921, Burmeister 1939, Larsson 1939, Hurka 1973). Copulatie ’s nachts. De 10-20 eieren worden zowel door eerstejaars vrouwtjes gelegd als door dieren die overwinterd hebben, voornamelijk in de nazomer en herfst. De dieren zijn tot ongeveer de eerste week van oktober actief (Van Zuijen 1995). Zowel de larven (meestal in het eerste of tweede stadium), als een deel van de imago’s overwinteren (Hurka 1973). In het voorjaar zijn er veel volgroeide larven (Lindroth 1945). Poppen en ‘verse’ dieren in Denemarken in mei-juni, in Frankrijk in juni-juli (Lapouge 1906). In Duitsland ligt het maximum van de ‘verse’ dieren in augustus en september. De ontwikkelingsduur is in noordelijke gebieden aanmerkelijk langer dan in Zuid-Europa (Hurka 1973), uiteenlopend van 10-20 dagen voor het embryonale stadium,20-60 dagen voor elk van de larvale stadia, 4-10 dagen pre-popstadium en 14-15 dagen popstadium. In Zuid-Europa duurt de ontwikkeling, mogelijk zonder larvale en imaginale diapauze, in totaal ca. drie maanden (Sturani 1962), in Denemarken ca. 10 maanden (Larsson 1939). In de meest noordelijke streken van Europa en in alpiene gebieden kan de ontwikkeling twee tot drie jaar duren (Lindroth 1986). De soort is hoofdzakelijk een slakkeneter (Lindroth 1945) die de slakkenhuizen langs de windingen openknaagt (Sturani 1962). Hij eet volgens Burmeister (1939) ook wormen. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: de soort is ongevleugeld maar kan door zijn grote afmeting en daardoor goed loopvermogen als een relatief goede verbreider worden aangemerkt. Bij een onderzoek waarbij dieren kleine zendertjes kregen opgeplakt, werd vastgesteld dat hij in dicht grasland tot maximaal 20 m per etmaal kan afleggen, maar in open terrein veel meer (Riecken & Raths 1996). Bij de verbreiding oriënteert de soort zich in hoofdzaak op lijnvormige landschapselementen, met name op bosranden (Riecken & Raths 1996, Van Zuijen & Van Dijk 1997).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.