Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Lederschallebijter Carabus coriaceus

Foto: Henk van Woerden

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
coriaceus [soort] (1/1)

Indeling

Carabus [genus]
(16 soorten in totaal / 15 gevestigd)
coriaceus [soort] (1/1)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieCarabidae
ExpertTurin, H.

Areaal

In een groot deel van Europa en Klein-Azië. Noordelijk tot 64° noorderbreedte, in Zweden tot 61° noorderbreedte. Westgrens: Rennes-Poitiers-Perigueux. Zuidgrens: Garonne--Montpellier-Zuid-Italië-Balkan. Oostgrens: Leningrad-Yaroslavl’-Moldova-Zwarte Zee. Areaalkarakteristiek: 9, Nederland: subcentraal.

Verspreiding in Nederland

In Nederland hoofdzakelijk in het oostelijk rivierengebied en Zuid-Limburg. Waarnemingen buiten dit gebied zijn veelal ongedateerd en/of van vóór 1900. De vangst uit de omgeving van Denekamp ligt op ongeveer 20 km van de dichtstbijzijnde waarneming in Westfalen. Mogelijk betreft het hier een toevallige introductie, maar uit de Westfaalse verspreidingskaart blijkt een uitbreiding van de soort gedurende deze eeuw (Gries et al. 1973). In Nederland komt de soort nog goed voor in het fluviatiele gebied, van Zuid-Limburg en het gebied rond Arnhem/Nijmegen, westwaarts tot de omgeving van Leersum, oostwaarts tot het Montferland en via het IJsseldal en Noordwest-Overijssel (Paasloo) tot in Zuidoost-Friesland (Ooststellingwerf, tussen Assen en Drachten), waar goede populaties voorkomen. Het voorkomen van populaties in Friesland is ontdekt in 1991 (HV, Van Zuijen & Van Dijk 1997). Het betreft hier zeer waarschijnlijk al oude en wellicht min of meer geïsoleerde populaties, o.a. tussen Oldemarkt en Steenwijkerwold, rond Oldeberkoop en in de Dellebuursterheide (Van Zuijen 1995). De oude, als twijfelachtig beschouwde waarneming uit Wolvega wordt in het licht van de recente waarnemingen een stuk aannemelijker. Het is op het moment in dit noordelijke gebied zelfs een uitgesproken algemene soort (TD).

Niet op de Britse Eilanden. In Denemarken in het oosten van Jutland en op de eilanden (Bangsholt 1983). In Fennoscandië aan de zuidkust van Noorwegen en het zuiden van Zweden, maar zeer verspreid; niet in Finland (Lindroth 1945, 1985). In Duitsland verspreid voorkomend over het gehele gebied, en over het algemeen niet zeldzaam (Horion 1941, Trautner & Müller-Motzfeld 1995). Voor de omgeving van Berlijn op de Rode Lijst (Barndt et al. 1991). In Zwitserland verbreid en algemeen in het gehele westelijke en noordelijke gebied en in het zuiden van Tessin (Marggi 1992). In België oorspronkelijk zeer verbreid in het stroomgebied van de Schelde en in de Ardennen maar daar sterk achteruit gegaan; na 1950 in Vlaanderen in nog slechts 11 UTM-hokken, en derhalve op de Rode Lijst (Desender et al. 1995), recent vooral in de meest oostelijke gebieden en Luxemburg (Desender 1986).

Niet opgenomen: de waarneming Den Haag (ET97) uit de vindplaatsenlijst van Everts (RMNH) moet als zeer twijfelachtig worden aangemerkt. Andere, eveneens twijfelachtige waarnemingen buiten het hoofdgebied zijn: De Weere (Purmer, FU31), en misschien ook Kapelle (ET60). De geïsoleerde melding van Denekamp (LD60) in de oude loopkeveratlas (Turin et al. 1977) betrof een waarneming tijdens een NJN-excursie in de jaren zestig, waar de auteur bij was. De waarschijnlijkheid van deze waarneming wordt echter door Duitse auteurs betwijfeld omdat er van het aansluitende Duitse gebied geen waarnemingen bekend zijn. Omdat het hier mogelijk een door de mens aangevoerd exemplaar betrof, is ook deze vondst niet meer opgenomen.

Status: het aantal vindplaatsen in Nederland is duidelijk teruggelopen (na 1950), vooral in het zuiden. Uit Noord-Brabant zijn geen recente meldingen bekend. De waarnemingen uit de omgeving van Bergen op Zoom sluiten aan bij het voorkomen in het stroomgebied van de Schelde-Rupel-Dijle in België en grote delen van het westelijk rivierengebied, evenals bij de dalen van de Maas en Ourthe (Desender 1986). Over het geheel genomen in België een sterke achteruitgang: van 91 naar 59 hokken. In Denemarken echter toegenomen van 56 naar 70 hokken (Bangsholt 1983, Desender & Turin 1986, 1989). De achteruitgang in de zuidelijke gebieden (Noord-Brabant, België) en de kennelijke bloei van de soort in de noordelijke gebieden (Westfalen, omgeving Steenwijk-Oldeberkoop, Denemarken) doen vermoeden dat het hier om een verschuiving door klimatologische oorzaken gaat.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.