Overslaan en naar de inhoud gaan

Grote viervlekschorsloper Dromius quadrimaculatus

Foto: Sandra Lamberts

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Dromius [genus] (6/5)

Arboricol (corticol), vrij eurytoop. Op de Britse Eilanden en in het noorden van zijn verspreidingsgebied voornamelijk op loofbomen, alleen in het uiterste zuiden van Scandinavië ook op dennen en sparren (Lindroth 1974, 1986). In Midden-Europa vooral in het laagland, tot in het montane gebied (Burmeister 1939). In Zwitserland zowel op loof- als naaldbomen, achter loszittende schors en tussen boommossen (Marggi 1992). Ook aangetroffen tussen schorsafval aan de voet van bomen (Büngener et al. 1991).

Vangpotten. Groep: E1 (27 series, 33 individuen). De vangsten komen uit duinen [8-10] enerzijds, met het accent op duinstruweel en duinbos, en uit loofbossen [18-19, 21-22] anderzijds. Omdat deze soort, ook in de omgeving van bomen en struiken, op de bodem actief is, is dit waarschijnlijk een goed beeld van de terreintypen waarin hij kan worden aangetroffen. Het is opvallend dat hij bij ons naaldbossen [15-17] schijnt te mijden, evenals het zware eiken-haagbeukenbos [20]. Eurytopie: 5 (PRES = 0,21 en SIM = 0,81). Bodem: rivierklei. Vocht: geen voorkeur. Begeleider: Pterostichus strenuus 77,8% (3,3%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.