Overslaan en naar de inhoud gaan

Zandkruiper Harpalus tardus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
tardus [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
tardus [soort]

Xerofiel, vrij eurytoop. Schjøtz-Christensen (1957) vermeldde dat de soort een vrij hoge voorkeurstemperatuur heeft van ca. 25-29°C. Volgens Lindroth (1949) heeft hij, blijkens experimenten, voorkeur voor zand met een kleine korrelgrootte. In open terreinen, op zandgronden, soms met enige bijmenging van klei of humus, en een meestal vrij gesloten vegetatie (Lindroth 1974, 1986). In Noord-Europa vooral op zandige heideterreinen (Mossakowski 1970b), vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens), en lichte cultuurgronden. Minder talrijk in lichte bossen en andere beschaduwde plaatsen. In Midden-Europa is het eveneens een eurytope veldsoort van zandige of grindachtige bodems, met name talrijk op ruderale plaatsen, zandige akkers en in tuinen (Burmeister 1939). In Zwitserland in de heuvels en de bergen, maximaal tot subalpien, ca. 1500 m (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: EU(B) (166 series, 1.506 individuen). De vangsten komen van een groot oecologisch traject, maar niet van vochtige of natte terreintypen. De hoogste scores in de schrale graslanden in de duinen en het binnenland [8, 11] en de cultuurlanden, inclusief jonge bosaanplant [12-15]. Ook op xerotherme plaatsen in heideterreinen [4-6] en op kalkgraslanden [25]. Op drooggevallen gronden en in de polders [27-30], niet in een vroeg stadium aangetroffen, wel later, maar niet in hoge dichtheden. Eurytopie: 8 (PRES = 0,79 en SIM = 0,71). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 2. Begeleiders: Calathus fuscipes 75,3% (22%) en Calathus melanocephalus/cinctus.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.