Overslaan en naar de inhoud gaan

Roodpoothalmkruiper Harpalus rufipes

Foto: Martien van den Heuvel

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
rufipes [soort]

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
rufipes [soort]

Nachtactief. Luff (1980) volgde een populatie in een aardbeienveld in Northumberland van 1973 tot 1978 en vond actieve overwinterde mannetjes vanaf het begin van het voorjaar, terwijl de overwinterde vrouwtjes pas vanaf mei actief werden. Verse, voornamelijk vrouwelijke adulten werden pas actief vanaf augustus. De voortplantingsactiviteit van de overwinterde adulten start in de vroege zomer en de eieren worden gelegd in augustus met een gemiddelde van 10-15 eieren per individu. In Midden-Europa ligt de maximale activiteit in juli (Marggi 1992). Voortplanting in de zomer en vroege herfst van juli tot september. Mannetjes met uitgestoken genitaliën zijn in Drenthe gevonden in juli en augustus (PB). Overwintering als larve, die in de loop van de herfst van de oppervlakte ‘verdwijnt’; de L3 overwintert diep in de bodem ingegraven, levend van zaden die door de larven tijdens het eerste en tweede stadium zijn verzameld in min of meer verticale gangen (Luff 1980). Ook een deel van de oude imago’s overwintert; in het laboratorium bleek de overleving ongeveer 30%. In Zweden zijn ‘verse’ dieren waargenomen in juli en augustus (Lindroth 1945), in Drenthe ook in september en oktober (PB). Waarschijnlijk is in noordelijke gebieden (o.a. vanaf Noord-Engeland en in Scandinavië) de ontwikkelingsduur veelal tweejarig, en wordt in het jaar volgend op de ovipositie, nog niet gereproduceerd (zie Luff 1980, 1998). Ook volgens Briggs (1965) leggen nieuwe vrouwtjes vaak pas in het jaar na de ontpopping de eerste eieren en nemen sommige in het daarop volgende jaar nog eens aan de reproductie deel. Matalin (1997) trekt uit observaties in Zuidwest-Moldavië de conclusie dat de soort twee keer per vegetatieseizoen zou reproduceren, in die zin dat er twee, min of meer gescheiden groepen binnen de populatie zouden bestaan, waarvan de ene in de zomer (met imago-overwintering) en de andere in de herfst reproduceert en als larve overwintert. Dit kan echter een foute interpretatie van waarnemingen van een tweejarige cyclus zijn (zie boven). De sluipwesp Microctonus caudatus (familie Braconidae), die door Luff (1976) in 30% van de gevangen individuen werd aangetroffen, is een van de weinige parasitaire wespen die tot op heden in adulte loopkevers is gevonden (Luff 1987) Een vijand van de larve is de sluipwesp Proctotrupes gladiator (Proctotrupidae) (Luff 1993). De adulten zijn omnivoor en leven zowel van insectenlarven, bladluizen en mieren (Skuhravy 1959) als van zaden van ganzenvoet (Chenopodium), varkensgras (Polygonum aviculare), granen en aardbeien. Aan aardbeien zouden ze aanzienlijke schade kunnen toebrengen volgens herhaalde berichten in de literatuur, hetgeen leidde tot de naam ‘strawberry seed beetle’ (o.a. Blunck & Mühlmann 1954, Burmeister 1939 En Thiele 1977). Volgens Briggs (1965) is deze schade echter beperkt, tot maximaal 15% en zijn er naast P. rufipes ca. 20 loopkeversoorten aan te wijzen die mede verantwoordelijk kunnen zijn. Bij dieet en ontwikkelingsexperimenten, bleek de waarde van dierlijke voeding voor de ontwikkeling veel lager dan die van zaden; de zaden van paardenbloem (Taraxacum) werden het meest geprefereerd en die van straatgras (Poa annua) bleken de meeste voedingswaarde te leveren (Jorgensen & Taft 1997). De bladluis Metopolophium dirhodum en het fruitvliegje Drosophila bleken sterk te worden geprefereerd, hoewel de waarde voor de ontwikkeling laag was. Luff (1980) noemt graszaden in het algemeen en met name die van melganzevoet (Chenopodium album) als belangrijke voedselbron. Hij vond de larven gewoonlijk geclusterd in dichtheden van 3-20 per m2. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. Een goede vlieger die kan zwermen op warme avonden als de temperatuur boven 18°c is (Lindroth 1986). Desender (1989a) vond bij de dieren uit lichtvangsten gemiddeld iets grotere vleugels dan bij de dieren uit bodemvallen, terwijl hij bij de laatste een aanzienlijk percentage dieren met vliegspierautolyse vond. Volgens Tietze (1963) degenereren de vliegspieren bij de oudere dieren. Er zijn vele vliegwaarnemingen, ook uit Drenthe, per halve maand: juni 0/2, juli 8/5, augustus 6/0, september 1/0 (TVH). Een van de vroege immigranten in de IJsselmeerpolders en thans op de akkers van Zuidelijk Flevoland nog steeds een dominante soort (Siepel et al. 1996). Matalin (1997) stelt dat de jaarlijkse migratie die vliegend plaats vindt, kenmerkend is voor de herfstvoortplanters die overwinteren als larven, hetgeen bevestigd wordt door vangsten in lichtvallen en de staat van de vliegspieren.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.