Overslaan en naar de inhoud gaan

Groene kruiper Harpalus distinguendus

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)

Overwegend xerofiel. Bij preferentieproeven bleek een voorkeur voor warmte (Thiele 1977). Op droge en open, zongeëxponeerde bodem, vooral op zand of kleiig zand met een mozaïekachtige vegetatie van grassen en kruiden (Lindroth 1974, 1986). In Noord-Europa vooral synantroop: op ruderale plaatsen en in stedelijke biotopen. In Midden-Europa een soort van de heuvels en het montane gebied, zelden tot subalpien, maximaal tot ca. 1400 m (Burmeister 1939). In Zwitserland gemeld van lichte, zandige bodem, vaak xerotherme plaatsen, maar ook van intensief bewerkt cultuurland (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: B2 (13 series, 37 individuen). De vangsten komen uit droge heiden [4-6] en zandige akkers, inclusief braaklanden [13-14]. Verder marginale vangsten van ruderale plaatsen [24] en kruidenrijke graslanden [26]. Eurytopie: 2 (PRES = 0,21 en SIM = 0,25). Bodem: zand. Vocht: 2. Begeleiders: Amara aenea 92,3% (2,4%), Harpalus affinis 92,3% (3,4%), Pseudoophonus rufipes 84,6% (2%), Amara plebeja 76,9% (2,2%), Bembidion lampros 76,9% (2,4%), Calathus erratus 76,9% (1,6%), Calathus melanocephalus/cinctus 76,9% (1,1%) en Syntomus foveatus 76,9% (2,7%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.