Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwe kruiper Harpalus rubripes

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
rubripes [soort]

Gematigd xero-thermofiel tot mesofiel. Vooral op vrij droge, grindachtige, zandige of kalkrijke leembodem met een vrij schaarse, korte vegetatie met o.a. tijm (Thymus), zeealsem (Artemisia maritima) en/of grassen, maar zeldzaam in vegetaties met buntgras (Corynephorus canescens) of in de duinen (Lindroth 1974, 1986). Kennelijk aangetrokken door menselijke activiteiten, op weinig bemeste cultuurgronden zoals kalkgrasland, braakland, zandafgravingen en op ruderale plaatsen. In België met een voorkeur voor 10x10 km-hokken met kalkbodem. In Midden-Europa een vrij eurytope veldsoort, eveneens met een zekere voorkeur voor kalkbodem, die voorkomt van het laagland tot een hoogte van ca. 2000 m (Burmeister 1939, Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: D1 (50 series, 691 individuen). De vangsten komen voor het belangrijkste deel uit struwelen in het binnenland [23], ruderale plaatsen [24] en kalkgraslanden [25]. De overige vangsten komen uit min of meer xerotherme, open terreintypen zoals heidevegetaties [3-5], graslanden [11-12] en drooggevallen gronden [30-31]. De vangsten in het eiken-haagbeukenbos [20], komen uit aan kalkgrasland grenzende bosranden in Zuid-Limburg. Eurytopie: 5 (PRES = 0,39 en SIM = 0,69). Bodem: kalk. Vocht: 2. Begeleiders: geen.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.