Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwe kruiper Harpalus rubripes

Foto: Tim Faasen

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)
rubripes [soort]

Waarschijnlijk uitsluitend nachtactief; in preferentieproeven bleek hij lichtschuw (Thiele 1977). Larsson (1939) veronderstelt dat het een herfstvoortplanter is. Volgens Lindroth (1986) en Luff (1998) heeft de voortplanting vooral in het in het voorjaar plaats, maar wellicht gedeeltelijk ook in de zomer en herfst. Overwintering in Zwitserland, volgens Marggi (1992) evenwel meer als larve dan als imago. De cyclus is mogelijk gespreid over twee jaar, waarbij een klein deel van de ‘verse’ dieren al in het zeer late najaar kan verschijnen, maar het merendeel in de late lente of zomer van het volgende jaar. Reproductie vindt dan pas het daarop volgende jaar plaats. De larve is opgenomen in de tabellen van Arndt (1991) en Luff (1993).

Dispersie: macropteer. Slechts weinig dieren bezitten vliegspieren, al dan niet in autolyse (Desender 1989a). Enkele vliegwaarnemingen zijn bekend, o.a. uit Drenthe, per halve maand: mei 0/2, juni 5/1 (TVH). In de IJsselmeerpolders op veel plaatsen aangetroffen, maar hij behoorde niet tot de vroege immigranten. De soort is recent nog aangetroffen in akkerranden in Zuidelijk Flevoland (Siepel et al. 1996).

 

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.