Overslaan en naar de inhoud gaan

Smaragdkruiper Harpalus smaragdinus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)

Zeer xerofiel en thermofiel. Schjøtz-Christensen (1965) gaf een voorkeurstemperatuur op van 25-29°c. Vooral op droge zandige, niet te losse bodem, in schrale graslanden en heiden met een open mozaïekachtige vegetatie van grassen, o.a. buntgras (Corynephorus canescens) en van struikheide (Calluna vulgaris) (Lindroth 1974, 1986). Eveneens op extensieve akkers en in zandafgravingen (Luff 1998). Lindroth (1949) constateert een voorkeur voor zand met een kleine korrelgrootte. Een soort van het laagland en de heuvels, die slechts zelden in het montane gebied voorkomt tot een hoogte van maximaal ca. 800 m (Burmeister 1939). In Midden-Europa eveneens op zand- en kalkbodem, op welke laatste hij volgens Horion (1941) vaak wat algemener is. Vooral in warmtegebieden op aan zon geëxponeerde plekken met een ijle vegetatie van o.a. alsem (Artemisia); ook op ruderale terreinen (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: B2 (33 series, 201 individuen). De vangsten komen van open, droge zandige plekken op heiden en in de duinen [4-8, 10], maar vooral ook van cultuurlanden, zoals schrale graslanden [11], akkers en braaklanden [12-13]. Verder ook aangetroffen op open plaatsen nabij de zee [31, 33]. In tegenstelling tot diverse literatuuropgaven scoort hij laag in pure Calluna-heide; waarschijnlijk is de aanwezigheid van grassen belangrijk. Bij ons ook niet aangetroffen op de kalkgraslanden. Eurytopie: 5 (PRES = 0,33 en SIM = 0,59). Bodem: zand. Vocht: 2. Begeleiders: Calathus erratus 82,9% (4,6%), Calathus melanocepha-lus/cinctus 80% (3,2%) en Calathus ambiguus 71,4% (8,8%).

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.