Overslaan en naar de inhoud gaan

Geelsprietkruiper Harpalus luteicornis

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)

Indeling

Harpalinae [subfamilie]
Harpalus [genus] (33/29)

Mesofiel tot hygrofiel (Mandl 1978). Volgens Barndt et al. (1991) echter overwegend xerofiel. De oecologie is slecht bekend, omdat hij pas relatief laat is onderscheiden van H. xanthopus (Lindroth 1974, 1986). In het noorden in lichte bossen, maar ook op opener terrein; van het laagland tot in het montane gebied, zeldzamer subalpien, tot maximaal ca. 1500 m (Burmeister 1939). Marggi (1992) gaf aan dat de oecologische aanduidingen van Koch (1989) op zijn minst onvolledig zijn met betrekking tot Midden-Europa. In Zwitserland vooral in de uiterwaarden van rivieren, op weinig begroeide zandige of grindachtige strandjes. Amara schimperi wordt genoemd als begeleidende soort (Marggi 1992).

Vangpotten. Groep: Z(B) (3 series, 3 individuen). De weinige vangsten komen uit duingebieden aan de kust [9-10]. Eurytopie: 3 (PRES = 0,06 en SIM = 0,48). Bodem: geen voorkeur. Vocht: 2. Begeleiders: onvoldoende gegevens.

Bron

Auteur(s)

Turin, H.

Publicatie

  • Turin, H. 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en oecologie (Coleoptera: Carabidae). Nederlandse Fauna 3: 1-666. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.